e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q019z plaats=Geverik / Kelmond

Overzicht

Gevonden: 24

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
achterwand stop: štǫp (Geverik / Kelmond), stopsel: štø̜psǝl (Geverik / Kelmond) De afneembare achterplank van de kar of wagen. Deze plank werd tussen de twee zijwanden geschoven om de laadruimte af te sluiten en kon tijdens het lossen weggenomen worden. Voor de betekenisontwikkelingen van de verschillende woordtypes, zie de toelichting bij het lemma voorwand. Op de kaart zijn voor Belgisch Limburg alleen de gegevens uit de mondelinge enqu√™te opgenomen. [N 17, 30a + 36 + 48; N G, 61c; JG 1a; JG 1b; JG 2b; JG 2c; A 26, 1a; Lu 4, 1a; L 33, 4; L 40, 56; monogr.] I-13
appels van de boom schudden afschudden: WLD  aafschudde (Geverik / Kelmond) Appels van de boom schudden (muiken). [N 82 (1981)] III-2-3
beurse plek bluts: WLD  blùtsch (Geverik / Kelmond) Een appel of peer oppervlakkig beschadigen zoda er een zachte plek ontstaat (blutsen, kneuzen, keuzen). [N 82 (1981)] III-2-3
bonenkruid bonenkruidje: WLD  boane kruutje (Geverik / Kelmond) Bonenkruid, het geurige kruid dat bij de tuinbonen of andere peulvruchten gevoegd wordt (keule, keul, kuil, kruid, heume, bonenkruid, kuun, keune). [N 82 (1981)] III-2-3
bundel groenten bussel: WLD  bussel (Geverik / Kelmond) Een bundel samengebonden groenten zoals asperges, prei, etc. (bussel, bos). [N 82 (1981)] III-2-3
dadel dadel: WLD  dadel (Geverik / Kelmond) De vrucht van de dadelpalm (dadel, smeerlap, vijgedaal). [N 82 (1981)] III-2-3
groente groente: WLD  greunte (Geverik / Kelmond) De gewassen die door mensen als voedsel worden gebruikt in het algemeen (groente, potazzie). [N 82 (1981)] III-2-3
kruiden, specerijen gekruiden: WLD  gekruuje (Geverik / Kelmond) De kruiden die bij de bereiding bij groente of vlees gevoegd worden om de smaak van het gerecht te verbeteren, in het algemeen (kruid, toekruid, specerij). [N 82 (1981)] III-2-3
leeg, gezegd van een noot doof: WLD  douf (Geverik / Kelmond) leeg, gezegd van een noot waar niets in zit (leeg, doof, loos). [N 82 (1981)] III-2-3
melig melig: WLD  maelig (Geverik / Kelmond) Te rijp en daardoor droog en korrelig, gezegd van een vrucht (meelachtig, melen, versleten, melig). [N 82 (1981)] III-2-3