e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q018a plaats=Moorveld (Waalsen)

Overzicht

Gevonden: 190

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
aardappelen stampen fijnstampen: fien sjtàmpə (Moorveld (Waalsen)) stampen; Hoe noemt U: Fijnmaken van b.v. aardappelen (deisteren, moezelen, moezen, britsen) [N 80 (1980)] III-2-3
afkalven afkalven: aafkalve (Moorveld (Waalsen)) afkalven, stuksgewijs afschuiven en instorten gezegd van oevers, slootkanten enz [inkalven, inkavelen, inkelderen] [N 81 (1980)] III-4-4
afkoken gestooft: gəsjtoof (Moorveld (Waalsen)) Hoe noemt U: Met (in) weinig water gekookt, gezegd van groenten (kort) [N 80 (1980)] III-2-3
andere soorten sneeuw dikke vlokken: dikke vlokken  dikke vlokke (Moorveld (Waalsen)) verschillende soorten sneeuw [spuwsneeuw, watersneeuw] [N 81 (1980)] III-4-4
arduin, hardsteen arduin: arduin (Moorveld (Waalsen)), naamse steen: Naamse sjtein (Moorveld (Waalsen)) hardsteen, harde, meest blauwgrijze kalksteen, gebruikt voor stolpen, hoekstenen enz [arduin] [N 81 (1980)] III-4-4
avondmaal avondbrood: oavəntbroeat (Moorveld (Waalsen)) maaltijden; Hoe noemt U: Namen voor de verschillende maaltijden, afhankelijk van de tijd van de dag, eventueel van het jaar [N 80 (1980)] III-2-3
azijn eedje: ééətsjə (Moorveld (Waalsen)) azijn; Hoe noemt U: De zure vloeistof bestaande uit azijnzuur en water, die o.a. gebruikt wordt bij het bereiden en conserveren van spijzen (azijn, arzijn, eek) [N 80 (1980)] III-2-3
babbelaar boterbabbelaar: bo(o)terbabbeléér (Moorveld (Waalsen)), suikerbruin: sokkerbroen brann\\  sokkerbroen (Moorveld (Waalsen)) babbelaar; Hoe noemt U: Een balletje van suiker of stroop (babbelder, babbelaar, brok, babbel(tje), suikerbal, sabbelder, ababol, rababbel, kussentje, spekje, steek, kokinje, babbelut) [N 80 (1980)] III-2-3
bakken braden: bròajə (Moorveld (Waalsen)) bakken; Hoe noemt U: Spijzen met boter of vet bereiden (kuinen) [N 80 (1980)] III-2-3
beet, hap hap: háp (Moorveld (Waalsen)), hapje: hépkə (Moorveld (Waalsen)) hap; Hoe noemt U: Zoveel als men in één keer afbijt of in de mond neemt (hap, beet, knap, kneuvel) [N 80 (1980)] III-2-3