e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q036p plaats=Nuth/Aalbeek

Overzicht

Gevonden: 1955

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
(met) het hoofd stoten botsen: boetse (Nuth/Aalbeek) stoten: met het hoofd stoten [boetse, erges teege boetse] [N 10 (1961)] III-1-2
(met) stevige benen flinke poten: flinke puut (Nuth/Aalbeek) benen: met stevige benen [hij is gestapeleerd] [N 10 (1961)] III-1-1
(zich) bukken (zich) bukken: zich bukke (Nuth/Aalbeek) bukken, zich bukken [bukke, bokke] [N 10 (1961)] III-1-2
-> [wld iii 2.2] - wld iii, 2.2 !: duipkledje (Nuth/Aalbeek), duipmutschke (Nuth/Aalbeek), duipschprei (Nuth/Aalbeek), navelbendje (Nuth/Aalbeek), wingel (Nuth/Aalbeek), zeiverlepke (Nuth/Aalbeek, ... ) dekentje waaronder de dopeling naar de kerk wordt gedragen [N 25 (1964)] || doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || doopjurkje [deumhemke] [N 25 (1964)] || doopmutsje [N 25 (1964)] || luier [winjel, luur, kindsdoek, psidoek, huik] [N 25 (1964)] || navelbandje [nagelbendje] [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)] III-1-3
<naam> namensdag: namesdaag (Nuth/Aalbeek, ... ) Een naamfeest, naamdag [vernamsdaag, nametsdaag]. [N 96C (1989)] || Feestdag. III-3-2
[falie] falie: falje (Nuth/Aalbeek) sluierdoek, zwarte ~ die over hoofd en schouders wordt gedragen, gewoonlijk in de rouwtijd [vaol, voeël, falje, falie, slöjer, linao] [N 23 (1964)] III-1-3
[jasje] jekker: jekker (Nuth/Aalbeek), stoep: schtup (Nuth/Aalbeek), triek: dat komt van tricot  triek (Nuth/Aalbeek) Hoe noemt men het kledingstuk van geheel of gedeeltelijk wollen stof, dat bij kouder weer en in de winter over de, in vraag 5 en 6 genoemde kledingsstukken in het werk wordt gedragen? Het heeft meestal een kraagje en revers (opgeslagen). Het zou in het Ne [DC 14A (1946)] III-1-3
[lijfje] lijfje: betekenis: wat op de blote borst gedragen wordt  liefke (Nuth/Aalbeek) lijfje, in de betekenis van soort kledingstuk; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] III-1-3
[wambuisjas?] kazavekje: kazevekske (Nuth/Aalbeek) Hoe noemt men hetzelfde kledingstuk, van katoenen stof vervaardigd? [DC 14A (1946)] III-1-3
aalmoezenier aalmoezenier: aalmozeneer (Nuth/Aalbeek) Een priester die belast is met de zielzorg van een bepaalde klasse of groep van mensen [aalmoezeneer]. [N 96D (1989)] III-3-3