e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=P107a plaats=Rummen (WBD)

Overzicht

Gevonden: 179

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
-> [wld iii 2.2] - wld iii, 2.2 !: dūpklīēdje (Rummen (WBD)), dūpmoats (Rummen (WBD)), neusdoek (Rummen (WBD)), nōgelvees (Rummen (WBD)), pisdoek (Rummen (WBD)), rouwvoal (Rummen (WBD), ... ), vərəngskə (Rummen (WBD)), zīverlepke (Rummen (WBD)) dekentje waaronder de dopeling naar de kerk wordt gedragen [N 25 (1964)] || doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || doopjurkje [deumhemke] [N 25 (1964)] || doopmutsje [N 25 (1964)] || luier [winjel, luur, kindsdoek, psidoek, huik] [N 25 (1964)] || muts met poffer, minder kostbaar of minder uitgedost dan de grote witte muts, die bij rouwgelegenheden wordt gedragen [rouwpoffer] [N 25 (1964)] || navelbandje [nagelbendje] [N 25 (1964)] || rouwsluiter(s) aan een hoed [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)] III-1-3
[falie] voile (fr.): vaol (Rummen (WBD), ... ) sluierdoek, zwarte ~ die over hoofd en schouders wordt gedragen, gewoonlijk in de rouwtijd [vaol, voeël, falje, falie, slöjer, linao] [N 23 (1964)] III-1-3
[kazavek?] kazavek: blouse met officierskraag en vaste lenden, breder op de heupen  kazevek (Rummen (WBD)) kasjevék, in de betekenis van vrouwenmantel; betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] III-1-3
balein balein: blein (Rummen (WBD)) balein uit het korset [N 25 (1964)] III-1-3
binnenshuismutsje voor bejaarde mannen kalotje (<fr.): kalotje (Rummen (WBD)) mutsje met opstaande wand en platte bovenkant, binnenshuis gedragen door bejaarde mannen {afb} [bonnegrekske, kalotje] [N 25 (1964)] III-1-3
binnenzak binnentas: bénnetés (Rummen (WBD)) binnenzak van een jas [binnetes] [N 23 (1964)] III-1-3
boezeroen boerenhemd: boerehumme (Rummen (WBD)) boezeroen, blauwlinnen of katoenen (boeren)overhemd [boezeloen, bazeoren, bazzeroel] [N 23 (1964)] III-1-3
bolhoed: algemeen bolhoed: bolhoed (Rummen (WBD)) bolhoed [N 25 (1964)] III-1-3
bont als apart kledingstuk pels: pels (Rummen (WBD)) bont, zachtharig dierenvel (das, vos, e.d.) als los kledingstuk [poes, pels, mansjel] [N 23 (1964)] III-1-3
bont geruite langwerpige omslagdoek neusdoek: neusdoek (Rummen (WBD)) omslagdoek, bont geruite langwerpige (stola-achtige) ~ voor meisjes [bonte nuzzik] [N 25 (1964)] III-1-3