e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q004p plaats=Gelieren/Bret

Overzicht

Gevonden: 612

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
bundel groenten bussel: bessel (Gelieren/Bret) samengebonden groente [ZND 22 (1936)] III-2-3
buskruit poeder: poeier (Gelieren/Bret, ... ), schroot: Van Dale: I. schroot, 3. (veroud.) ijzer in kleine, onregelmatige stukken als lading voor een vuurwapen, kartets.  sjr"ət (Gelieren/Bret) buskruit [ZND 17 (1935)], [ZND 22 (1936)] III-3-1
buurman gebuur: geboer (Gelieren/Bret, ... ) buurman [ZND 17 (1935)], [ZND 22 (1936)] III-3-1
buurt geburen: hij woent en de geboeren (Gelieren/Bret) Hij woont in de buurt [ZND 22 (1936)] III-3-1
buurten uchteren: ichteren (Gelieren/Bret) Hoe heet het gebruik in de winter s avonds bij de buren te gaan zitten praten? [ZND 22 (1936)] III-3-1
centiem halve cent: ps. omgespeld volgens Frings.  halvə seͅnt (Gelieren/Bret) koperen munt van 1 centiem [N 21 (1963)] III-3-1
dauw dauw: de do  də dó (Gelieren/Bret) dauw die s morgens over de velden hangt [doom, domp, mok] [N 22 (1963)] III-4-4
de was bleken bleken: bleeken (Gelieren/Bret) de was op de bleek leggen [ZND 21 (1936)] III-2-1
deeg deeg: deeg (Gelieren/Bret) zij kneedt het deeg [ZND 22 (1936)] III-2-3
deksel deksel: deksel (Gelieren/Bret), deksəl (Gelieren/Bret) deksel [ZND 01 (1922)], [ZND 22 (1936)] III-2-1