e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q112z plaats=Ten-Esschen/Weustenrade

Overzicht

Gevonden: 1253
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
bochel pokkel: poekel (Ten-Esschen/Weustenrade) bochel [hooge ruch, bult, schoft] [N 10a (1961)] III-1-2
bod bod: bod (Ten-Esschen/Weustenrade) de geboden som op een veiling [bod, gebod, roep] [N 89 (1982)] III-3-1
boerenkool groen moes: greun moos (Ten-Esschen/Weustenrade), krulkool: krolkueël (Ten-Esschen/Weustenrade) [N Q (1966)]boerenkool als gerecht [N Q (1966)] I-7, III-2-3
boerin halferse: haufesje (Ten-Esschen/Weustenrade) de vrouw van een boer [meesterse, bazin(ne), vrouw, juffrouw, mevrouw] [N 87 (1981)] III-3-1
boete boete: boete (Ten-Esschen/Weustenrade) een geldstraf [boete, kore, amende] [N 90 (1982)] III-3-1
bof bof: bof (Ten-Esschen/Weustenrade) Bof: de ziekte waarbij men een opgezet gezicht krijgt door ontsteking van de oorspeekselklier en zwelling van de lymfevaten (dikoor, smartoor, bof). [N 84 (1981)] III-1-2
bomijs hol ijs: hoël iēs (Ten-Esschen/Weustenrade) ijs waar het water onderuit is gelopen [holijs, bomijs, papieren zolder] [N 81 (1980)] III-4-4
bonzen bonzen: bonze (Ten-Esschen/Weustenrade) hevig kloppen bijv. met de vuist op een deur [grollen, bonzen, dokkeren] [N 91 (1982)] III-4-4
boomvruchten stelen stropen: sjtrøͅpə (Ten-Esschen/Weustenrade) Boomvruchten stelen [tuten, stropen, bogeren, buten, afsnatsen]. [N 88 (1982)] III-3-2
boot(je) boot(je): boot (Ten-Esschen/Weustenrade) een klein open vaartuig met riemen of zeil voortbewogen [boot, schuit] [N 90 (1982)] III-3-1