e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q004p plaats=Gelieren/Bret

Overzicht

Gevonden: 612
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
dooien dooien: doeië (Gelieren/Bret, ... ), t slaakt]: t toejt  ət tujt (Gelieren/Bret) dooien [ZND 01 (1922)], [ZND 23 (1937)] || dooien [t weer gaat af [N 22 (1963)] III-4-4
dopen dopen: e kĕnd doepen (Gelieren/Bret), soppen: soͅpə (Gelieren/Bret, ... ) Een kind dopen. [ZND 23 (1937)] || indopen van het brood b.v. in de koffie: soppen [N 08 (1961)] III-2-3, III-3-3
dragen dragen: drōͅge (Gelieren/Bret) dragen [ZND 25 (1937)] III-1-2
dreef dreef: dreeft (Gelieren/Bret) een lange dreef [ZND 23 (1937)] III-3-1
driftig kwaad: kŏou̯t (Gelieren/Bret) driftig [ZND 23 (1937)] III-1-4
drijftol konkernel: koͅŋkərneͅl (Gelieren/Bret) Drijftol (speeltuig door middel van een zweep door kinderen gedreven). [ZND 16 (1934)] III-3-2
drinkbeker koffie-jatte: koͅfižat (Gelieren/Bret) drinkbeker, aarden of stenen ~; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] III-2-1
drinkglas pint: pent (Gelieren/Bret) drinkglas zonder voet [N 20 (zj)] III-2-1
drinkglas met voet kapper: kapər (Gelieren/Bret) drinkglas met een voet (kapper, kopper(tje)) [N 20 (zj)] III-2-1
droog blijven t blijft over]: stoend wer  stūnt wēͅr (Gelieren/Bret) droog blijven hoewel er regen dreigt, gezegd van het weer [t weert heen [N 22 (1963)] III-4-4