e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q036p plaats=Nuth/Aalbeek

Overzicht

Gevonden: 1955
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zielenheil zielenheil: zeleheil (Nuth/Aalbeek) Het zieleheil. [N 96D (1989)] III-3-3
zien, kijken zien: zīə (Nuth/Aalbeek) zien [RND] III-1-1
zijaltaar zijaltaar: ziealtoar (Nuth/Aalbeek) Op het priesterkoor [zijaltaar?]. [N 96A (1989)] III-3-3
zijbeuk zijbeuk: ziebeuken (Nuth/Aalbeek) De beide zijruimten, links en rechts van het middenschip [zijbeuken?]. [N 96A (1989)] III-3-3
zijde zij: pien in de ziej (Nuth/Aalbeek) zij, zijde (pijn in de zij) [N 07 (1961)] III-1-1
zijkapel zijkapel: ziekapèl (Nuth/Aalbeek) Elk van beide zijkapellen van een kruiskerk. [N 96A (1989)] III-3-3
zijn neus snuiten snuiten: snoete (Nuth/Aalbeek) snuiten: zijn neus snuiten [sneuve, snutte] [N 10a (1961)] III-1-2
zijn pasen doen paascommunie (<lat.): poaësjkommunie (Nuth/Aalbeek) De Paascommunie doen [de oeëster hauwe]. [N 96C (1989)] III-3-3
zijn pasen houden pasen houden: Poasje houte (Nuth/Aalbeek) Zijn Paasplicht vervullen, zijn Pasen houden, d.w.z. in de Paastijd, rond Pasen te biecht en te Communie gaan [ziene paose ha.lde, zien Paoskemunie doon]. [N 96D (1989)] III-3-3
zijpad zijpad: ziepāād (Nuth/Aalbeek) Elk van beide zijgangen [zijpad?]. [N 96A (1989)] III-3-3