e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q036p plaats=Nuth/Aalbeek

Overzicht

Gevonden: 1955
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zonde zonde: zung (Nuth/Aalbeek) Een zonde [zund, zung]. [N 96D (1989)] III-3-3
zool van een schoen zool: zoal (Nuth/Aalbeek) zool van een schoen [N 24 (1964)] III-1-3
zoon jong: joͅu̯ŋ (Nuth/Aalbeek), joͅŋ (Nuth/Aalbeek, ... ), jòng (Nuth/Aalbeek), zoon: zooen (Nuth/Aalbeek), zoon (Nuth/Aalbeek) zoon; (Hoe wordt de zoon door de ouders aangesproken, als hij niet bij zijn naam wordt genoemd?) [DC 05 (1937)] || zoon; onze buurman heeft een zoon en een dochter; volw. [DC 12a (1943)] III-2-2
zout zout: zauwt (Nuth/Aalbeek) zout [DC 03 (1934)] III-2-3
zuigen zuigen: zoege (Nuth/Aalbeek) zuigen [suuke, snekke] [N 10 (1961)] III-2-3
zure haring zure haring: zoerə hiering (Nuth/Aalbeek), zoerə hīēring (Nuth/Aalbeek) rolmops; Hoe noemt U: Een haring in het zuur (rolmops) [N 80 (1980)] III-2-3
zure oprisping zuurbranden, het -: zoerbrenne (Nuth/Aalbeek, ... ) oprisping hebben gepaard gaande met een zure smaak in de mond [opzuure] [N 10 (1961)] || oprisping, een zure oprisping [de vuilen opbot, zooj, zuur] [N 10a (1961)] III-1-2
zuster begijn: begien (Nuth/Aalbeek), zus: zus (Nuth/Aalbeek), zuster: søstər (Nuth/Aalbeek), zuster (Nuth/Aalbeek, ... ), zøstər (Nuth/Aalbeek, ... ), zustertje: zusterke (Nuth/Aalbeek) Een lid van een vrouwelijke geestelijke orde, zuster, non [zuster, non, maseur, begijn]. [N 96D (1989)] || zuster; bestaat er een woord voor broers en zusters samen (Hd. Geschwister?) [DC 05 (1937)] || zuster; mijn - is achttien, mijn zuster twintig jaar; < 6 jaar [DC 12a (1943)] || zuster; mijn - is achttien, mijn zuster twintig jaar; ± 10 jaar [DC 12a (1943)] || zuster; mijn broer is achttien, mijn zuster twintig jaar; volw. [DC 12a (1943)] III-2-2, III-3-3
zusters penitenten grijze zustertjes van schimmert: de Gries Zusterkes van Schummert (Nuth/Aalbeek) De Zusters Penitenten [graw begiêne]. [N 96D (1989)] III-3-3
zuurdesem heffe: hûffe (Nuth/Aalbeek) Zuurdeeg, gebruikt i.p.v. gist (heevel?) [N 16 (1962)] III-2-3