e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q121a plaats=Chèvremont

Overzicht

Gevonden: 1324
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
dadel dattel (du.): dat’tel (Chèvremont) dadel III-2-3
dampen paven: flem’pe (Chèvremont), zwademen: sjwa’me (Chèvremont) dampen || sterk roken III-2-3
das, sjaal cache-nez (fr.): kazenaai (Chèvremont), sjaal: sjaal (Chèvremont) das, sjaal, om de hals gedragen [das, polderdas, sjerp, kazzenij] [N 23 (1964)] III-1-3
de avond luiden de avondsklok luiden: de oavends-klok (Chèvremont) Het angelus luiden aan het begin van de avond [het luidt......?] [de koster luidt......?]. [N 96A (1989)] III-3-3
de doodsklok luiden zum dood luiden: t loet tsem doeëd (Chèvremont) Het luiden voor iemand die pas gestorven is, een overledene overluiden [t loet tsóm doeëd, de doodsklok luiden, iemand ovverluuje?]. [N 96A (1989)] III-3-3
de heg knippen (de) heg scheren: də hɛk šērə (Chèvremont) de heg knippen III-2-1
de middag luiden de middagsklok luiden: de middaags-klok (Chèvremont) Het angelus luiden rond het middaguur [het luidt......?]. [N 96A (1989)] III-3-3
de morgen luiden de morgensklok luiden: de mörjensklok (Chèvremont) Het angelus luiden in de ochtend [de morgenklok?] [het luidt......?]. [N 96A (1989)] III-3-3
de tafel dekken de dis dekken: dər døš dɛkə (Chèvremont) de tafel dekken III-2-1
de was blauwen blauwen: bløͅi̯ə (Chèvremont) blauwselwater opspoelen III-2-1