e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q032a plaats=Puth

Overzicht

Gevonden: 3095
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zondagse kleren zondagse kleren: zondegse klèjer (Puth), zondese kleijer (Puth) De kleren die men s zondags draagt. [DC 62 (1987)] || zondagse kleren [t sondagsdinge] [N 23 (1964)] III-1-3
zondagse schort zondagse scholk: zondigse scholk (Puth), zondise scholk (Puth) schort, blauw-wit linnen zondagse schort [N 24 (1964)] III-1-3
zonde zonde: zunj (Puth) zonde [SGV (1914)] III-3-3
zonden zonden: zunj (Puth) zonden (mv.) [SGV (1914)] III-3-3
zonder voor spitten ombuttelen: ombø̜tǝlǝ (Puth), omwerpen: omwɛrǝpǝ (Puth) Manier van spitten waarbij men - anders dan bij het spitten in voren - min of meer in de breedte werkt en iedere spade grond voor zich uit (voor de hand) omlegt. [N 11, 65c; N 11A, 148b; div.] I-1
zool zool: zǭl (Puth) Het gedeelte van de onderkant van de hoef rondom de straal (3.6.3). [N 8, 33] I-9
zool van een schoen schoenslap: sjoonslap (Puth), zool: zaol (Puth) zool van een schoen [N 24 (1964)] III-1-3
zoolbeslag schoenslap: šōnslap (Puth) Stuk leer, rubber of hout dat onder de zool van de klomp wordt aangebracht. [N 24, 71; monogr.] II-12
zoom zoom: zǫwm (Puth) De omgeslagen en vastgenaaide rand aan een stuk weefsel of een kledingstuk. Volgens Het Beste Naaiboek (pag. 290) zijn er drie soorten zomen: de omgeslagen zoom, de valse zoom en de apart aangezette zoom. Zie afb. 38. [N 62, 14a; L 8, 126; Gi 1.IV, 15; MW; S 46; monogr.] II-7
zoon jong: joͅŋ (Puth), zoon: zoon (Puth, ... ), zōn (Puth) (zoon;) Hoe wordt de zoon door de ouders aangesproken, als hij niet bij zijn naam wordt genoemd? [DC 05 (1937)] || zoon [SGV (1914)] || zoon; (Hoe wordt de zoon door de ouders aangesproken, als hij niet bij zijn naam wordt genoemd?) [DC 05 (1937)] || zoon; onze buurman heeft een zoon en een dochter; volw. [DC 12a (1943)] III-2-2