e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L192p plaats=Bergen

Overzicht

Gevonden: 1063

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
bedriegen bedriegen: bedrīēgen (Bergen) bedriegen: Als hij kans ziet zal hij proberen je te - [DC 35 (1963)] III-1-4
bedsprei bedsprei: be̝ͅtspreͅi̯ (Bergen) bedsprei [RND] III-2-1
bef bef: bef (Bergen) bef [bavetje, sammezetje, bandje] [N 23 (1964)] III-1-3
begrafenismaal koffie: de koffie (Bergen) Is in uw omgeving het begrafenismaal bekend? Zoo ja, hoe noemt men het (groevenmaal, lijkmaal, grafmaal, uitigst, enz.)? [VC 03 (1937)] III-2-2
benamingen van het paard naar de leeftijd (een) jarige: (een) jarige (Bergen), aanspanner: aanspanner (Bergen), aftands: aftands (Bergen), machabeeër: machabeeër (Bergen  [(heel oud paard)]  ), veulen: vø̄lǝ (Bergen, ... ) Namen voor het onderscheid naar de leeftijd zijn talrijk. Specifieke namen treffen wij vooral aan tijdens de ontwikkeling van jong veulen tot paard. Na één jaar is het een jaarling. Wordt het op anderhalve à tweejarige leeftijd voor het eerst met een merrie voor een voertuig gespannen, dan heet het aanspanner of achttienmaander. Zijn de veulens na circa twee jaar volwassen geworden, dan zijn het tweejarigen of twenters. Nadien worden nog weinig specifieke namen volgens de leeftijd gegeven, behalve als de paarden (te) oud geworden zijn: ouder paard (zes tot twaalf jaar), oud paard (dertien jaar en meer). De leeftijd van een paard kan worden vastgesteld aan de hand van het gebit. Als alle vaste snijtanden volledig doorgekomen zijn, heeft het een "volwassen gebit". Vanaf nu wordt de leeftijd bepaald op grond van de veranderingen die zich op het kauwvlak van de ondertanden voltrekken en van de hoek die de ondertanden met deze uit de bovenkaak vormen. Tot achtjarige leeftijd is de ouderdom nauwkeurig vast te stellen; daarna wordt het wat moeilijker en noemt men een paard aftands. [A 32, 11a, 11b, 11c, 11d, 11e en 11f; A 45, 28a; N 8, 5, 15, 20, 62f en 62g; monogr.] I-9
benauwd en vochtig weer broeierig (weer): broejerig wêêr (Bergen), broeilucht: broei-locht (Bergen), torenweer: tōēnwêêr (Bergen) lucht bij vochtig en warm zomerweer [graslucht] [N 22 (1963)] || warm, benauwd en vochtig weer (in de zomer) [bederfelijk, voos, smoel, zoel, zuul, broejerig, luimerig, mottig, moddelwarm, zomig] [N 22 (1963)] III-4-4
bergx bergen (mv.): mv.!  béérəch (Bergen) berg (bergen) [RND] III-4-4
berrie kaarbalkjes: kaarbalkjes (Bergen) Het uit twee balkjes bestaande toestel op de steenkuip waarop of waartussen het kaar rust. Zie ook afb. 82. [N O, 19h; A 42A, 38; Vds 147; Jan 154; Coe 135; Grof 156; N D, 33 add.] II-3
bestendig weer vast (weer): vaast wêêr (Bergen), vaste lucht: vaaste loocht (Bergen), zo kunnen we met het werk onder de voeten uit: omschrijving  zo kunne we mit ’t werk onder de vūūt uut (Bergen) bestendig weer [vaste lucht] [N 22 (1963)] III-4-4
betrekken (lucht) gaan zitten: de locht get zitte (Bergen), toetrekken: de locht trekt toew (Bergen) dicht gaan zitten zodat er regen dreigt, gezegd van de lucht [de lucht overtrekt, groeit, belommert] [N 22 (1963)] III-4-4