e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q111q plaats=Ransdaal

Overzicht

Gevonden: 898

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
armkogel armskogel: ęrmskuǝgǝl (Ransdaal) De ronding in de armsgatuitsnijding. [N 59, 101b] II-7
armsgatuitsnijding armslok: ęrmslǭk (Ransdaal) De uitsnijding voor de mouw bij het colbert. [N 59, 101a] II-7
baarmoeder van de kip legstok: lęqštǫk (Ransdaal) Het geheel der geslachtsorganen van een kip. [N 19, 57] I-12
baarmoeder van de koe dracht: drāx (Ransdaal) [N 3A, 48; A 48A, 47a] I-11
bak om boter in te kneden botterloop: [botter]loap (Ransdaal), loop: loap (Ransdaal) Kneedbak die schuin werd geplaatst om de melk uit de geknede boter te laten vloeien. Zie voor de fonetische documentatie van (boter) en (botter) het lemma ''boter'' (12.14) in deze aflevering. [N 12, 51, 59 en 61; JG 1a, 1b; A 7, 22; Ge 22, 15, 72 en 73; L 27, 67 en 68; monogr.; N 5A (I] I-11
balans in het stuk brengen balans in de jas werken: balans en dǝr jas werkǝ (Ransdaal) Het in evenwicht brengen in de diverse verhoudingen van de onderdelen van een werkstuk onderling. [N 59, 88] II-7
balken van de zolder boven de dorsvloer beierdshouter: bɛi̯ǝshǫu̯tǝr (Ransdaal) De zware rondhouten die op de gebintbalken boven de dorsvloer rusten en die de zoldervloer vormen. Deze zolder is een schelf, die ofwel altijd aanwezig is, ofwel elk jaar tijdens het bergen van de oogst gevormd wordt en weer verwijderd als hij leeg is. De rondhouten worden gelegd van het ene gebint naar het andere of dwars op de lengterichting van de beuk die de dorsvloer inneemt. De enkelvoudsvormen betreffen ofwel één van de balken of zijn collectief voor al de balken samen. Zie ook de lemmata "onderste" en "bovenste balken van de schelf" (3.4.2 en 3.4.3). Zie ook afbeelding 14.c bij het lemma "dorsvloer" (3.2.1). [N 5A, 68b; N 4, 35 en 68; N 4A, 13a en 13b; monogr.] I-6
band reep: ręjp (Ransdaal) In het algemeen de band die de houten duigen van een vat of kuip omspant en bijeenhoudt. De band is doorgaans van ijzer vervaardigd. Vroeger werden ook houten banden gebruikt. [A 19, 1a; monogr.] II-12
bebroed bevrucht ei bevrucht ei: bǝvrø̜x ęi̯ (Ransdaal) [N 19, 54c] I-12
bebroed onbevrucht ei vuil ei: vūl ęi̯ (Ransdaal) [N 19, 54b] I-12