e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q113p plaats=Heerlen

Overzicht

Gevonden: 6881

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
aanrijgen rijgen: rĭĕjjə (Heerlen), réjjə (Heerlen) tot een snoer verenigen [ritsen, resemen, rijgen] [N 91 (1982)] III-4-4
aanstaan aanstaan: aasjtoa (Heerlen), áásjtao (Heerlen), bevallen: bəvàllə (Heerlen), ww  bevalle (Heerlen), uitgezet: ūt˲gǝzat (Heerlen) aanstaan || behagen, bevallen, aangenaam zijn [gaden, gaaien, aanstaan] [N 85 (1981)] || bevallen || Gezegd van de hoeken van een bouwwerk, wanneer deze na het uitmeten definitief vastgesteld zijn. In Q 83 werd de term 'aanstaan' in een iets andere betekenis gebruikt. Zodra de muren van een huis in aanbouw een eerste maal gemetseld waren en het grondplan zodoende vastlag, werden de uitzetplanken verwijderd. Men zei dan dat het huis 'aanstond'. [N 31, 10a; monogr.] II-9, III-1-4
aansteker aanklitser: āklitšǝr (Heerlen  [(Emma)]   [Maurits]), klitser: klitšǝr (Heerlen  [(Oranje-Nassau I-IV)]   [Domaniale]), ontsteker: ontštę̄ǝkǝr (Heerlen  [(Oranje-Nassau I-IV)]   [Oranje-Nassau II, Emma, Hendrik]) Inrichting voor het ontsteken van een veiligheidslamp. Al naar gelang het fabrikaat van de lamp, worden verschillende soorten aanstekers toegepast. Bij de veiligheidslamp van Wolf bijvoorbeeld wordt een systeem gebruikt waarbij van fosfor voorziene stroken tot ontbranding worden gebracht. Andere lampen werken met vuursteentjes die door middel van een aan de onderzijde van de lamp aangebrachte draaiknop vonken voortbrengen (Heise/Herbst pag. 122-123). [N 95, 246; monogr.] II-5
aantrekken gauw drogen: gǫw dryǝgǝ (Heerlen), hel worden: hɛ̄l wē̜dǝ (Heerlen) Gezegd van verf of vernis die na het opstrijken droog en vast wordt. [N 67, 74a] II-9
aanvangen, beginnen aanvangen: aavange (Heerlen), avange (Heerlen), beginnen: beginne (Heerlen, ... ) aanvangen || beginnen III-1-4
aanvliegen aanvliegen: āvlēgǝ (Heerlen) Het zich neerzetten van de zwerm, nadat hij enige tijd gezwermd heeft. [N 63, 34a; N 63, 35] II-6
aanvoerband aanvoerband: āvø̄rbant (Heerlen  [(Emma / Oranje-Nassau I-IV)]   [Oranje-Nassau II, Emma, Hendrik]), houtband: hōtbant (Heerlen  [(Emma)]   [Emma, Maurits]) Bandtransporteur voor de aanvoer van materialen. Het woordtype "h.t." (L 265, Q 33 ) is een afkorting voor houttoevoer(band). [N 95, 636] II-5
aanwassen op de tanden schenkel: šeŋkǝl (Heerlen) Knobbelvormige aanwassen op de tanden. Als de wrijfvlakken van de beneden- en bovenkaak elkaar niet geheel dekken, ontstaan door de ongelijkmatige afslijting scherpe haken op de hoektanden. Zij komen vooral voor vanaf zevenjarige leeftijd en ontwikkelen zich het sterkst als het paard negen jaar oud is. [JG 1b, 1c, 2c; N 8, 91] I-9
aanwezigheid daar zijn: dòəzîê (Heerlen) de aanwezigheid, het aanwezig zijn [antwoord] [N 91 (1982)] III-4-4
aanwijzen wijzen: wīēzə (Heerlen) arm en hand uitstrekken naar iets of in de richting van iets om er de aandacht op te vestigen of om het te tonen [duiden, wijzen] [N 85 (1981)] III-1-4