e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q004p plaats=Gelieren/Bret

Overzicht

Gevonden: 612

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
bokking bokkem: beͅkkəm (Gelieren/Bret) bokking, gerookte haring [ZND 24 (1937)] III-2-3
bonte specht, specht bonte specht: Frings  bōͅntə spɛxt (Gelieren/Bret) specht, bonte ~ (23 / 14,5 zwart-wit; grote soort is vrij gewoon, kleine soort zeldzaam [N 09 (1961)] III-4-1
boomgaard fruitwei: freetwee (Gelieren/Bret), frēt[wei} (Gelieren/Bret), fruitweitje: freͅi̯.twekə (Gelieren/Bret), groeshof: grōͅsəf (Gelieren/Bret) boomgaard [ZND 22 (1936)] I-7
boomkruiper boomlopertje: Frings  bōmlēpərkə (Gelieren/Bret) boomkruiper (12,5 net een muis die tegen boomstammen opkruipt; dun krom bekje; nest in spleten en gaatjes; roep kort hoog [tiet, tiet, tiet]; zang kort tiereliertje [N 09 (1961)] III-4-1
boomleeuwerik boomliewerk: Frings  bōmliwɛ̄rk (Gelieren/Bret) leeuwerik: boomleeuwerik (15 alleen in droog terrein (bijv. hei niet veel op trek; zang is heel helder, klokjesachtig [lululululu] [N 09 (1961)] III-4-1
boot(je) pontje: pontsje (Gelieren/Bret) een bootje (om te roeien) [ZND 24 (1937)] III-3-1
bord telloor: təlīr (Gelieren/Bret) bord (bij het eten gebruikt) [ZND 16 (1934)] III-2-1
bordenrek, schotelrek bred: brit (Gelieren/Bret) rekje aan de wand waarop bordjes of sierbordjes worden geplaatst (teerekske) [N 20 (zj)] III-2-1
borg blijven borg blijven: bèurg blijven (Gelieren/Bret) Borg blijven voor iemand. [ZND 22 (1936)] III-3-1
borrelglaasje borrel: boͅrəl (Gelieren/Bret) jeneverglaasje met een voetje (borrel) [N 20 (zj)] III-2-1