e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=P186p plaats=Gelinden

Overzicht

Gevonden: 1682

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
bezem bessem: bɛsǝm (Gelinden), bussel: bǫsǝl (Gelinden) Het keren van de dorsvloer gebeurt vaak met een bezem vervaardigd uit bremtakken. [JG 1a, 1b; monogr.; add. uit N 14, 32b en 34b] I-4
bezemsteel bezemsteel: bɛsəmstīəl (Gelinden) de steel van een bezem, van een bloem [ZND 07 (1924)] III-2-1
bidprentje beeldje: bīēltje (Gelinden) De dialectnaam van het bidprentje (doodsbeeldeke, rouwprentje, gedachtenis [ZND 43 (1943)] III-2-2
bier bier: bier (Gelinden), verzamelfiche ook mat. van ZND 01 (a-m) ook ZND 22 vr. 27a  bier (Gelinden), bīr (Gelinden) bier [ZND 06 (1924)], [ZND 27 (1938)] III-2-3
bieslook look: loek (Gelinden) [ZND 34 (1940)] I-7
biestmelk eerste melk: jǫstǝ mɛ.lǝk (Gelinden) De eerste melk van de koe, nadat ze gekalfd heeft. [L 32, 100; JG 1a, 1b; S 3; A 7, 18; monogr.] I-11
bietenkopper bietenontkopper: bęi̯tǝǫu̯nkopǝr (Gelinden), bietenschoffel: bęi̯tǝskǫfǝl (Gelinden) Schoffelvormig stuk gereedschap gebruikt om loof van bieten af te steken, soms als deze nog in de grond staan, soms ook als ze al gerooid zijn. In de volgende plaatsen wordt opgemerkt dat voor dit afsteken de schup of de spade wordt gebruikt: L 163, 163a, 164, 165, 215, 266, 324, 329, 371a, 383, 416, 429a, Q 14, 94b, 101, 111 en 198b. Als er sprake is van een kapmes is de opgave in het lemma Bietenkapmes ondergebracht. [N 18, 54; monogr.; add. uit N 12, 47] I-5
bietenloof, bladerkroon bietenkruid: bęi̯tǝkrǫu̯t (Gelinden) De bladeren van de bietenplant. [N 12, 46; L 30, 34b; monogr.; add. uit N 12, 48] I-5
bietenriek bietenriek: bęi̯tǝrīk (Gelinden) Riek om bieten mee te verplaatsen. Doorgaans met minder tanden dan de aardappelriek, maar wel met bolletjes aan de uiteinden van de tanden om de bieten niet te beschadigen. Bij krotengaffel, achter in het lemma, wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat het stuk gereedschap 8 tot 10 tanden heeft. Vergelijk ook de toelichtingen bij de lemmaɛs Aardappelriek en Bietenkopper. [N 18, 25a, 25b en 64; JG 1d; A 28, 3; monogr.] I-5
biggen werpen baggen: bagǝ (Gelinden), kurren: kørǝ (Gelinden) Biggen ter wereld brengen. [N 19, 13; JG 1a, 1b, 2c; monogr.; N C, add.] I-12