e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
(persoon met) bleek, flets gezicht beddenzeikersgezicht: beddezeikersgezicht (Mechelen-aan-de-Maas), bleekgeel gezicht: bleekgeel gezich (Rijkhoven), bleekneus: bleikneus (Maastricht), bleekscheet: ene blieekskeet (Jeuk), bleekschijter: bleeksjieter (Schinveld), bleiksjieter (Maastricht, ... ), en blichschijter (Paal), hae is ëne bleiksjieter (Broeksittard), bleekschijterd: ⁄t is eine bleiksjiedert (Sittard), bleke schijter: blekə šēͅtər (Diepenbeek), dodelijk gezicht: dedoelek gezich (Martenslinde), dooielik gezich (Vreren), ə deedøəlik gezich (Eigenbilzen), dood van ieperen: de doëd van Ieperen (Paal), doodselijk gezicht: doodselijk gezicht (Riksingen), gezicht wie een acht uren-arrest: gezig waai en aagtoeren arres (Bilzen), gezicht wie een doodskop: hè hèt e gezich wij ne dutskop (Sint-Huibrechts-Hern), gezicht wie een elf uren-lijk: gezig waai en elf oeren lijk (Bilzen), gezicht wie een oude: ə gəzich wi nən auvə sɛ.nt (Stokkem), gezicht zo geel als was: zə gəzig ēs zu gēl eͅs was (Lanaken), groene, een -: ene greune (Noorbeek), juist een halve dode: t es sjus ne have dooie (Tongeren), kaaseter: hə zi:d o:t wai ənə ke:se:tər (Martenslinde), kaasgezicht: kieīs gezīch (Sint-Lambrechts-Herk), kaaskop: ⁄ne kĭëskop (Heythuysen), schijtgezicht: Andere uitdrukkingen i.v.m. met het gezicht:  scheejtgeziech (Borgloon), sneeuwschijter: wit as unne snie‧jschie‧ter (Weert), ⁄t is ene sneesjieter (Obbicht), spitse, een -: eene spitse (Neerpelt), spitsgezicht: spitsgezicht (Neerpelt), uitzicht wie een herfoze kaas: eng oetzieg wie ne Herfoze kie:s (Mheer), vlasschijter: t is ne vlaskij-er (Lommel), wie dood gezicht: widōt gəzich (Genoelselderen), witbek: wit bek (Koersel), witbek (Neerpelt, ... ), ziek gezicht: zik gezieg (Heers), ziekelijk gezicht: zekelik gezicht (Neeroeteren), zekkələk gezecht (Herk-de-Stad), ziekelijk gezich (Hoeselt), zikkelek gezich (Mopertingen), zikələk opsich (Gutshoven) bleek (hij ziet er bleek uit) [N 37 (1971)] || hij heeft een flets gezicht (bleekgeel, ziekelijk) [ZND 23 (1937)] III-1-2