e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
akkersleep, weidesleep akkersleep: akǝršlē.f (Simpelveld), akǝršlęi̯.p (Klimmen), autobanden: ótoban (Gronsveld), ōtoban (Rijckholt), balkjes: (de balkjes waaronder de latten zijn bevestigd) Q 192; sleepplankje: šlēpplɛŋskǝ (schuine plank aan de voorkant van de sleep, die ervoor zorgt dat er bij het slepen geen aarde op de sleep(latten) terecht komt)  bɛlǝkskǝs (Margraten), bandensleep: bandǝšlē̜p (Bemelen), botterik: bǫtǝrek (Lummen), bruggen: (twee dwarsbalken die op de balkjes zijn vastgezet ter verzwaring van de sleep en die als slede dienen wanneer de sleep ondersteboven over de weg verplaatst wordt)  brøqǝ (Margraten), de [eg] ondersteboven: dǝ [eg]˱ ønǝstǝbǭǝvǝ (Terwinselen), dǝ [eg]˱ ø̜njǝrstǝbō.vǝ (Zonhoven), dǝ [eg]˱ ǫndǝrstǝbōvǝ (Heks), de [eg] slepens: d [eg] slē.pǝs (Kermt), de [eg] ten ondersteboven: dǝ [eg] tǝn ondǝrstǝn˱bǭvǝ (Gennep), doornen: diɛ.n (Bilzen, ... ), di̯o.n (Jesseren, ... ), di̯ø.n (Vliermaalroot), di̯ø̄n (Tongeren), di̯ø̜.n (Waltwilder), di̯ō.n (Borgloon, ... ), di̯ǫ.n (Hasselt, ... ), di̯ǭ ̝.n (Kozen), di̯ǭ.n (Wijer), doornen (Kortessem, ... ), dyø̜.n (Heks, ... ), dyø̜n (Brustem), dyǝn (Halen, ... ), dyǝnǝ (Loksbergen), dyǫ.n (Mechelen-Bovelingen), dȳǝn (Margraten), dø̄ ̝r (Houthem), dø̄ ̞ǝn (Mechelen), dø̄.n (Neerharen), dø̄n (Halmaal), dø̄nǝ (Duras), dø̄r (Eisden), dø̄ǝn (Binderveld, ... ), dø̜̄n (Aijen, ... ), dø̜̄r (Elen), dø̜̄rǝ (Meeswijk), dø̜̄ǝr (Nuth), džo ̝ǫ.n (Hoepertingen), džo.n (Ordingen), džyǫ.n (Gutschoven), džō ̞.n (Donk), džō.n (Berlingen), džō.nǝ (Heers), džōn (Herk-de-Stad), žō.n (Koninksem), doornen hagen: di̯ǫnǝ hāgǝ (Godschei), doornen heg: dø̜̄nǝ hęx (Mook), doornen rijzer: dø̄nǝ rī.zǝr (Rekem), dø̜̄rǝ ri ̞i̯.zǝr (Stokkem), doornen stokken: dø ̝ǝnǝ štø̜k (Cadier), doornen takken: di̯ȳ.nǝ tɛ ̝k (Tongeren), di̯ōnǝ tákǝ(n) (Voort), dy ̞ǝnǝ tɛ ̝k (Eijsden, ... ), dyǝnǝ tákǝ(n) (Beringen), dø ̝ǝnǝ tɛ ̝k (Cadier), døǝnǝ tɛ ̝k (Montenaken), dø̄ ̞ǝnǝ tɛ ̝k (Mheer, ... ), dø̄ ̞ǝrǝ tɛ ̝k (Vaals), dø̄ ̞ǝrǝ tɛk (Hoensbroek), dø̄nǝ tɛ ̝k (Rothem), dø̜̄nǝ tɛk (Ottersum), dø̜̄rǝ tęk (Eys, ... ), dø̜̄rǝ tɛk (Bingelrade, ... ), doornen wissen: di̯ǭ.nǝ wesǝ (Tongeren), doornen[eg]: di̯ō.n[eg] (Kozen), dyǝnǝ[eg] (Margraten), doornensleep: dyǝnǝ[sleep] (Margraten), dø̄ ̞rǝ[sleep] (Houthem), dø̜̄nǝ[sleep] (Mechelen), doorntakken: di̯ō.ntákǝ (Linkhout), eikenhout: ē.kǝnhō.t (Godschei), erwtenrijzen: ɛrtǝrē̜zǝ (Montenaken), ɛtǝrē̜zǝ (Zelem), erwtenrijzer: ɛrtǝri ̞i̯.zǝr (Elen), erwtgeerden: ɛt˲gē̜ǝrǝ (Paal), erwtrijzen: ɛtrē̜zǝ (Berverlo), erwtrijzer: ɛrtrē̜.zǝr (Beringen), ɛtrái̯zǝr (Paal), ɛtrē̜.zǝr (Koersel), ɛtrē̜zǝr (Kwaadmechelen, ... ), ɛtręi̯zǝr (Berverlo), ɛ̄.trē̜.zǝr (Diepenbeek, ... ), erwtrijzers: ɛtrē̜zǝrs (Tessenderlo), haag: hǭx (Nerem, ... ), halve karreep: halǝf kē̜rręi̯p (Alken), halve reep: hāf rip (Beverst), houten sleep: hō ̞tǝ [sleep] (Mheer), hō ̞u̯tǝ [sleep] (Eijsden, ... ), hōtǝ [sleep] (Mechelen, ... ), ijzeren sleep: ē̜.zǝrǝ [sleep] (Gors-Opleeuw), īzǝrǝ [sleep] (Arcen), karband: karbãnt (Gennep), kárbãnt (Horst, ... ), kārba.nt (Rijkhoven, ... ), kārbã.nt (Diets-Heur), kārbá.nt (Sluizen), kārbā.nt (Gronsveld, ... ), kɛrbantj (Herten, ... ), kɛrbaŋt (Panningen), karbanden: karbɛ̄nt (Mook, ... ), kārb˙ɛn (Sint Pieter), karbandensleep: kárbɛ ̝ntslē̜ ̞p (Merselo), karbandsleep: karbaŋt[sleep] (Sevenum), kárbant[sleep] (Lottum), karbeslag: kɛrbǝslā.x (Neeritter), kɛrbǝšlā.x (Boukoul, ... ), karbred: karbret (Hout-Blerick), karbrīǝt (Maaseik), kɛrbrēt (Tegelen), kɛrbręt (Nunhem), karmouw: kɛ̄rmō (Bokrijk, ... ), karplank: kɛrplaŋk (Neer), kɛ̄rplá.ŋk (Achel), karreep: karriǝp (Meijel), karręi̯.p (As, ... ), kā.rrip (Beverst), kā.rrīǝ.p (Genk), kā.rrɛi̯.p (Zutendaal), kārrē.p (Romershoven, ... ), kārrēp (Oud-Waterschei), kārrīp (Koersel), kē̜rrīǝp (Brustem, ... ), kē̜ǝ.rręi̯p (Kozen), kɛrręi̯p (Baexem, ... ), kɛ̄ ̝rręi̯p (Berlingen, ... ), kɛ̄ ̝ǝrrei̯p (Sint-Lambrechts-Herk), kɛ̄.rrip (Godschei, ... ), kɛ̄rrip (Hasselt, ... ), kɛ̄rriǝp (Halen, ... ), kɛ̄rrēp (Achel), k˙ārrip (Zonhoven), karrereep: karǝrē ̞p (Hoensbroek), karǝręi̯.p (Schimmert), karrering: karǝreŋk (Rumpen), karring: karreŋk (Bemelen), kārreŋk (Mechelen), karschot: kɛrsxǫt (Ospel), latsenwerk: latsǝwęrǝk (Terwinselen), latten: (de schuin onder de balkjes bevestigde latten die over de grond strijken)  latǝ (Margraten), lattensleep: latǝ[sleep] (Leut, ... ), leer: lēr (Ottersum, ... ), līǝr (Aijen, ... ), mei: mai̯ (Kerkhoven), māi̯ (Kwaadmechelen), mestsleep: mesšlēf (Vaals), met rijs bestoken [eg]: met rīs˱ bǝstǭkǝ [eg] (Lottum), molhoopbreider: mǫlhuǝp˱brē̜ǝr (Paal), molhoopsbreker: mǫlhūps˱brīǝkǝr (Kiewit), molhopenbreker: mǫlhupǝbrē̜kǝr (Zolder), mǫlūpǝbrē.kǝr (Herk-de-Stad), mollesleep: mǫlǝ[sleep] (Beringen, ... ), molslede: molšlęi̯ (Horn), molsleep: mõ̜l[sleep] (Ottersum), mǫl[sleep] (Klimmen, ... ), moutheuvelvil: mǫu̯thø̄vǝlvel (Ulestraten), moutropsleep: mǫu̯tropšlęi̯p (Munstergeleen), moutwormensleep: multwø̜rmǝ[sleep] (Sevenum), mutwø̜rmǝ[sleep] (Lottum), moutwormsleep: mōtwǫrǝm[sleep] (Venlo), mǫu̯twø̜.rǝm[sleep] (Maasmechelen), omgedraaide [eg]: omgǝdrɛi̯dǝ [eg] (Susteren), omgekeerde [eg]: o ̝mgǝkiǝrdǝ [eg] (Schinveld), omgǝkērdjǝ [eg] (Thorn), omgǝkīǝrdǝ [eg] (Boekend), ø̜mgǝkīrdǝ [eg] (Kuringen), plank: pla.ŋk (Godschei), plaŋk (Hout-Blerick, ... ), plá.ŋk (Lummen), ploegsleep: pl˙ǫu̯xšlęi̯p (Einighausen  [(twee zware balken met planken eronder)]  ), reep: rip (Godschei), riǝp (Duras, ... ), rē.p (Mopertingen, ... ), ręi̯.p (Meeuwen, ... ), ręi̯p (Hopmaal, ... ), rī.p (Munsterbilzen), rīp (Hasselt), reep voor in de wei: riǝp ˲vør ęn dǝ wei̯ (Donk), repen: rē ̞pǝ (Rijckholt), rēǝpǝ (Gronsveld), rijshout: rīshǫlt (Lottum), rīshǫu̯t (Montfort, ... ), rijsjes: rīskǝs (Tungelroy), rijzen: rīs (Lottum), rijzer: ri ̞.zǝr (Vucht, ... ), ri ̞i̯.zǝr (Achel, ... ), ri.zǝr (Beek, ... ), rii̯.zǝr (Dilsen, ... ), rii̯zǝr (Hamont), rē̜.zǝr (Beverst, ... ), rē̜zǝr (Herk-de-Stad), rē̜ǝ.zǝr (Heusden), ręi̯.zǝr (Genk, ... ), ręi̯zǝr (Heppen), rī.zǝr (Bocholt, ... ), rīzǝr (Boukoul, ... ), r˙īzǝr (Leut, ... ), rijzers: ri ̞i̯.zǝrs (Achel), rii̯zǝrs (Hamont), slede: slęi̯ (Stein), šlęi̯ (Horn, ... ), sleep: slei̯.p (Beverst, ... ), slē.p (Boekt Heikant, ... ), slēp (Achel, ... ), slē̜ ̞p (Leunen, ... ), slē̜(i̯)p (Siebengewald), slē̜.p (Hechtel, ... ), slē̜i̯p (Afferden, ... ), slęi̯.p (As, ... ), slęi̯p (Achel, ... ), slęi̯ǝ.p (Gutschoven, ... ), slɛi̯.p (Ophoven, ... ), slɛ̄.p (Beringen, ... ), slɛ̄p (Halen, ... ), šlē.f (Bleijerheide, ... ), šlē.p (Doenrade, ... ), šlēp (Bingelrade, ... ), šlēǝp (Hoensbroek, ... ), šlē̜ ̝p, šlē ̞p (Bemelen, ... ), šlē̜ǝp (Epen, ... ), šlę ̞i̯.p (Beringe, ... ), šlęi̯.p (Boukoul, ... ), šlęi̯p (Amby, ... ), %%het is niet duidelijk of de beide volgende varianten, opgegeven voor plaatsen die tot het ontrondingsgebied behoren, het type sleep dan wel het type sloop vertegenwoordigen%%  slē.p (Beverst, ... ), sleep[eg]: slei̯p[eg] (Donk, ... ), slē.p[eg] (Sint-Lambrechts-Herk, ... ), slē.p˱[eg] (Mopertingen), slēi̯.p [eg] (Wellen), slēǝ.p[eg] (Kortessem), slē̜.p[eg] (Paal), slē̜p[eg] (Heppen, ... ), slęi̯p[eg] (Bocholt, ... ), slɛ̄p[eg] (Loksbergen), šlē ̞p˱[eg] (Rijckholt), šlēp˱[eg] (Oirsbeek, ... ), šlēǝp˱[eg] (Gronsveld), šlęi̯p˱[eg] (Haelen, ... ), sleephout: šlēfhōts (Bleijerheide), šlēphōt (Waubach), sleepketten: (vaste ketting met trekhaak, waaraan de sleep wordt voortgetrokken)  šlēpkętǝ (Margraten), sleepplank: slē.pplá.nk (Lummen), sleepreep: slēǝ.pręi̯p (Kortessem), slęi̯prīǝp (Brustem), sleepslui: slē̜ǝ.psløi̯ (Wijer), sleper: slei̯.pǝr (Borgloon), slē.pǝr (Diepenbeek, ... ), slɛ̄pǝr (Halen), sleur: slø̜̄i̯ǝr (Tessenderlo), sleur[eg]: slø̄r[eg] (Kerkhoven, ... ), slicht: slēx (Zichen-Zussen-Bolder), slēxt (Meijel), šlext (Haelen, ... ), slichter: šlextǝr (Herten), slie(t)hout: slihō.t (Beringen), sloop: slyø.p (Lauw), sløi̯.p (s-Herenelderen), slø̄.p (Berg, ... ), slø̜̄ ̝p (Kanne), slø̜i̯p (Guigoven, ... ), sloop[eg]: slø̜i̯.p[eg] (Tongeren), sloopijzer: slø̄.p˱ē̜.zǝr (Vliermaalroot), takken: takǝ (Gennep), taʔǝn (Lommel), tákǝ (Boekhout, ... ), tɛ ̝k (Leunen), tɛk (Borgharen, ... ), tenen: tēnǝ (Herten), veldsleep: vɛltšlē̜p (Noorbeek), vil: vel (Baexem, ... ), velj (Jabeek), vil (Gulpen, ... ), vęl (Gronsveld, ... ), v˙el (Cadier, ... ), viller: veldǝr (Dieteren, ... ), velǝr (Roosteren), vlattensleep: vlatǝšlē ̞p (Noorbeek), watsensleep: watšǝšlēp (Mechelen), weie(n)sleep: wei̯ǝ[sleep] (Waubach), węi̯ǝ[sleep] (Baarlo, ... ), w˙ęi̯ǝ[sleep] (Simpelveld), weie(n)vil: wēi̯ǝvel (Oirsbeek), węi̯ǝvel (Schimmert, ... ), weislede: węi̯slęi̯ (Lanaken), weisleep: węi̯[sleep] (Aijen, ... ), wɛi̯[sleep] (Eckelrade), weisloop: węi̯slø̄.p (Overrepen), wɛi̯slø̄.p (Herderen), weivil: wei̯vel (Eys), węi̯vel (Obbicht), w˙ɛ ̝i̯v˙el (Cadier), weiviller: węi̯veldǝr (Peij), wissen: wesǝ(n) (Eksel), wetsǝ (Herten) Het toestel of werktuig waarmee men de akker en/of de weide sleept. Behalve de sleeptypen die door de afb. 89 t/m 95 worden voorgesteld, werd ook de omgekeerde eg als sleep gebruikt. Zo nodig verzwaarde men die met graszoden, een zak aarde of iets dergelijks. Vaak werd de sleepeg voorzien van berkenrijs, doorn- of braamtakken of prikkeldraad. Men kon deze tussen de egbalken door vlechten, onder de eg vastbinden of achter aan de eg bevestigen. Zulk een sleep gebruikte men vooral om pas gezaaid spurrie-, klaver-en graszaad slepend in de grond te brengen. Soms werd er ook een tarwe- of een aardappelveld mee bewerkt. De omgekeerde eg kon - al dan niet voorzien van rijshout e.d. - ook als weidesleep dienen, voor het slechten van molshopen, het fijner uitsmeren van verspreide mest en ter bestrijding van mosvorming. Men sleepte de akker of de weide soms ook wel met een grote bos berken- of andere takken, die men van voren bijeenbond of - gespreid - tussen twee balken klemde. Voor het ''sleep''-gedeelte van varianten verderop in het lemma zie men het simplex sleep aan het begin. In het lemma ''eg'' vindt men de waarde van het woord(deel ''eg'' resp. ''eg'' verklaard. [JG 1a+ 1b+ 1c+ 1d; N 11, 85; N 11A, 179 + 181b + c; N 14, 81; N 18, 22; N 27, 1a add.; N J, 10; N P, 17 + 18; N Q, 17; A 13, 16b; A 40, 10a + b; div.; monogr.] I-2