e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
knellen, gezegd van schoenen -omschr.-: dij schoen zin mich te ech (Rijkhoven), drukken: drukkə (Montfort), drèkken (Eigenbilzen), duwen: daan (Sint-Truiden), daat (Sint-Truiden), dan (Sint-Truiden), dao mich (Kerkom), daowe (Gelinden), dauwe (Genoelselderen), dawen (Bevingen), de schōōn dûût (Schimmert), doawe (Halen), doawen (Zonhoven), doewe (Vechmaal), doowə (Loksbergen), doue (Wellen), douwe (Stevoort, ... ), douwen (Gennep, ... ), douwə (Gennep), dōwwe (Venray), dōə (Zepperen), dōͅə (Diepenbeek), doͅuə (Zonhoven), duije (Maastricht), duijen (Oostham), duje (Heythuysen, ... ), dujen (Bunde), dujjə (Heerlen), duuje (Melick, ... ), duujə (Heel, ... ), dūūjə (Oirsbeek), dŭjjə (Nieuwenhagen), dŭŭjə (Susteren), dówe (As), dówwe (Tienray), b.v. diej sjoo:n duuje mich.  duuje (Herten (bij Roermond)), generen (<fr.): gĕnēren (Maastricht), klemmen: klemme (Geulle, ... ), klemmen (Ingber), klemt (Posterholt), knellen: knelle (Beek, ... ), knellen (Beesel, ... ), knellə (Hulsberg, ... ), knellən (Maastricht), knelt (Posterholt), knēllen (Elen), knèllə (Epen, ... ), knéllə (Amstenrade, ... ), (nieuw woord).  kn‧ɛlə (Eys), b.v. de schoon zien te klein, die knelle.  knelle (Hoensbroek), knijpen: kniepe (Meerlo, ... ), kniepen (Beesel), kniepĕ (Vroenhoven), kniepə (Roermond), kniêpe (Blerick, ... ), kniëpe (Sevenum), knĭĕpe (Sevenum), nijpen: neepe (Berbroek), ni-jpe (Bree), nie-pe (Nunhem), nieepe (Weert), niepe (Ell, ... ), niepen (Haler, ... ), nieppe (Meijel), nijpe (Landen (WBD)), nijpen (Lommel, ... ), nipə (Molenbeersel), niëpe (Maasbree), nīēpe (Tungelroy), nīpə (Hamont), nĭĕppə (Meijel), nîpen (Hamont), nɛjpə (Leopoldsburg), pijn doen: (dun mich pijn) (Neerpelt), deun mich pain (Koninksem), deunt mich pin (Remersdaal), doen mich pijn (Piringen), doen mig pijn (Sint-Truiden), doon mich pien (Bree), doon mig pien (Rotem), due paan (Genoelselderen), dun mich paijən (Zepperen), dun mich pijn (Riksingen), dun mich pijnn (Hoepertingen), dyn mich pēn (Mettekoven), dyn mig paain (Millen), dün paain (Borgloon), pien doon (Weert), p‧in du.ə (Ingber), pitsen: (pitse mich) (Bree), pe.tšə (Eys, ... ), peetsje (Mheer), petsche (Eupen), petse (Genk, ... ), petsĕ (Genk), petsə (Diepenbeek, ... ), petsən (Oostham), petše (Mechelen-aan-de-Maas), petšə (Mechelen-aan-de-Maas, ... ), pietsen (Paal), pietsje (Valkenburg), pisje (Eisden), pitche (Rotem), pitchen (Rotem), pitsche (Ingber, ... ), pitschu (Brunssum), pitse (Alken, ... ), pitsen (Beringen, ... ), pitsje (Geleen, ... ), pitsjen (Born, ... ), pitsjə (Doenrade, ... ), pitsjən (Urmond), pitsə (Alt-Hoeselt, ... ), pitsən (Eigenbilzen, ... ), pitšə (Ulestraten), pitṣə (Stokkem), pitze (Caberg), pitzen (Eksel), pitẓə (Eisden), pītse (Maastricht), putse (Genoelselderen), (= pijn doen).  pitsjen (Geleen), b.v. di-j nuuf schoen pitsen hum.  pitse (Beverlo), b.v. sjoon.  pitsen (Maastricht), pramen: WNT: pramen, A) Bedr., I) Eig. - A. Met een persoon als object: 1. Drukken, knellen [...] 4. Stooten, duwen.  praane (Gronsveld), prame (Klimmen), pramen (Sint-Martens-Voeren), prangen: WNT: prangen, A) Bedr., I) Eig. - A. Met een persoon als object: 1. Drukken, dringen [...] 3. Knellen, klemmen, knijpen, omklemmen.  prangen (Oostham), prángə (Loksbergen), spannen: spanne (Rosmeer, ... ), stremmen: WNT: stremmen, A) Bedr., 1) Stram maken, verstijven... [of &lt; striemen?]  stremme (Maastricht), stroppen: stroppen (Jeuk), wrijven: vrieve (Noorbeek, ... ), wringen: vreŋə (Opglabbeek) die schoenen knellen mij (doen pijn) [ZND 28 (1938)] || drukken en daardoor pijn veroorzaken, gezegd van schoenen die te klein zijn || drukken en daardoor pijn veroorzaken, gezegd van schoenen die te klein zijn (knellen, klemmen, drukken) [N 86 (1981)] || drukken en daardoor pijn veroorzaken, gezegd van schoenen die te klein zijn [knellen, klemmen, drukken] [N 86 (1981)] || knellen || pitsen: (pijnlijk) knijpen, nijpen, knellen III-1-3