e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
menneke, binnenste deel van het hok aanzet: aanzet (Grathem), binnenkant: bønǝkānt (Gruitrode), bok: bǫk (Achel, ... ), driepikkel: drē̜pękǝl (Beringen), eerste kast: ēštǝ kas (Munstergeleen), gast: gāst (Lommel), heukel: heukel (Wilderen), huifje: hø̜fkǝ (Neerrepen, ... ), kast: køs (Ophoven), koninkje: køneŋskǝ (Val-Meer), kruis: krys (Blitterswijck, ... ), kryts (Baarlo, ... ), krytš (Panningen), kryš (Meijel), krȳts (Boukoul, ... ), krø̜̄s (Kiewit, ... ), krø̜i̯s (Maaseik), krø̜i̯ts (Guttecoven), krē̜s (Hasselt), mandel: mandel (Runkelen), mā.ndǝl (Zepperen), māndǝl (Nieuwerkerken), mannetje: mǝnǝʔǝ (Kerkhoven, ... ), mɛnǝkǝ (Beringen, ... ), middelste geleg: midǝstǝ gǝlęx (Helchteren, ... ), middenrij: medǝrē̜ (Halen), mijtje: mętšǝ (Genoelselderen, ... ), paap: pā.p (Eksel), staander: stuǝndǝr (Lummen), steun: steun (Berbroek), stuik: stuik (Halen, ... ), stø̜̄.k (Ulbeek), stō.k (Waltwilder), stuikje: stø̜kskǝ (Grote-Spouwen, ... ), vork: vø̜rǝk (America, ... ) Het groepje van boven aaneengebonden schoven die in het midden van een hok staan. Kruis heeft wel betrekking op de werkwijze de middelste vier schoven, waar de andere schoven omheen staan, in een kruisvorm te zetten. Deze vier schoven worden niet overal aan elkaar gebonden. Zie afbeelding 7. [N 15, 32a; JG 1d, 2d; Goossens 1963, krt. 37; monogr.] I-4