e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
runderhorzel, horzel aambeitel: ambeitəl (Elen), angelbuts: paarden- of runderhorzel  angelbus (Heerlen), biezemannetje: jk: afl. ww. biezen  bezəmɛnkə (Genk), biezeronkel: jk: afl. ww. biezen  bizəroŋkəl (Beverlo), blinde koe: blie.nde koe (Gennep, ... ), bocht: boog (Koersel), bol: bō.li (Eksel), bō‧l(ə) (Houthalen), bolp: bolep (Heusden), bot: boͅtən (Lommel), brems: vrij naar het WLD  brems (Klimmen), buigel: bogəl (Zonhoven), boͅugəls (Gruitrode, ... ), buigel (Meeuwen), bøygələ (Wijshagen), kleine horzel met kleuren op de vleugels; "van --en krijgt ge angelknoken, cf angel  bogəl (Zonhoven), leggen eitjes  boͅu̯gələ (Ellikom, ... ), bultangel: runderhorzel  boͅudaŋəl (Lanaken), glasoog: glōͅəzō.gə (Rutten), hommel: homəl (Vlijtingen), homələ (Hees), huməl (Halen), #NAME?  huməl (Loksbergen), hommelaar: hō.əlēͅr (Eksel), hømələr (=hommel) (Overpelt), hommeltje: høməlkə (Aalst-bij-St.-Truiden, ... ), høməlʔə (Kwaadmechelen, ... ), høͅməlkə (Beverlo), klein, de gevaarlijkste  homəlkə (Tessenderlo), klein, gevaarlijk, legt eitjes  homəlkə (Tessenderlo), høməlkə (Kwaadmechelen), klein, met kromme kont, legt eitjes  høməlkə (Meldert), klein, ziet uit als wesp  høməlkə (Heusden), legt eitjes, rood  høməlʔn (Oostham), zwart-bruin, komt omhoog  høməlkə (Lummen), horelaar: horəleͅr (Hechtel), hors: hörs (Castenray, ... ), horspel: hoarspel (Leunen, ... ), hórspel (Merselo, ... ), horzel  hūi̯ərspəl (Bree), hwūərspəl (Neerglabbeek), horzel: (h)eͅsəl (Sint-Truiden), (h)ossel (Hasselt), (h)ōͅrstəl (Rekem), haozel (Heythuysen), heustel (Hunsel), hjossel (Rosmeer), hoar-sel (Blitterswijck), hoarsel (Obbicht, ... ), hoarzel (Meijel), hoersel (Gerdingen, ... ), hoeësəl (Wijer), hoorjel (Houthem, ... ), hoorschel (Amby, ... ), hoorsel (Baarlo, ... ), hoorsjel (Herten (bij Roermond), ... ), hoorstel (Beegden, ... ), hoorsəl (Swalmen), hooršel (Amby), hoors’l (Asenray/Maalbroek), hoortsələ (Wessem), hoorzel (Borgharen, ... ), hoor’sel (Tegelen), hooschel (Maasbracht), hoosel (Beegden), hoosjel (Maasbracht), hoossel (Riksingen), hoostel (Aldeneik, ... ), hoozel (Schulen, ... ), horsel (Buggenum, ... ), horselt (Heijen), horstel (Arcen, ... ), hortəl (Zonhoven, ... ), horzel (Afferden, ... ), horzels (Mook, ... ), horzəl (Lommel), hor’êl (Montzen), hossel (Beverst, ... ), hostel (Tungelroy, ... ), hotzel (Baarlo, ... ), hoəzel (Beverlo), hō.rsəl (Sint-Huibrechts-Lille), hō.səl (Lummen), hō.sələ (Sint-Huibrechts-Hern, ... ), hō.zəl (Wijer), hō.zəls (Stevoort), hōarstel (Velden), hōōrschel (Heer, ... ), hōrsel (Horst, ... ), hōrstel (Lottum), hōrsəl (Achel), hōrsəls (Wijchmaal), hōrzel (Kaulille), hōrzels (America, ... ), hōzəl (Kermt), hōərsələ (Neerharen), hōͅrstel (Helden/Everlo, ... ), hōͅrstəl (Opgrimbie, ... ), hōͅrsəl (Hout-Blerick, ... ), hōͅrzel (Kessel, ... ), hŏrzel (Maastricht, ... ), hoͅrzəl (Achel, ... ), hoͅrzəls (Lommel), hoͅrəl (Linkhout, ... ), hoͅsəl (Halmaal, ... ), hoͅsəls (Halen, ... ), hoͅəzəl (Herk-de-Stad), hu:zəl (Nieuwenhagen), huursel (As, ... ), hūirsəl (Ellikom), hūiərsəl (Opitter), hūərsəl (Grote-Brogel), hy(3)̄rsəl (Meeuwen), hòrzel (Waubach), hòssël (Tongeren), hörsəl (Linne), hörzel (Tessenderlo), hözel (Heppen), høͅ`əl (Kerkhoven), høͅzəl (Kwaadmechelen, ... ), həzəl (Halen), oirsəl (Maastricht), ossel (Bilzen), ōərsələ (Rekem), oͅsəls (Melveren), uurzel (Paal), wossel (Eigenbilzen), wursəl (Heesveld-Eik), wuursel (Niel-bij-As), wūiərsəl (Opoeteren), wū‧rsəl (As, ... ), wy(3)̄rsəl (Neerglabbeek), øəzəl (Leopoldsburg), ?  hoezel (Vlodrop), cf ook boggel  hoͅrtəl (Zonhoven), det vroumus is ein hoorsel, = die vrouw is niet voor de poes, = det vroumus h?t höök oppe t?nj  hoorsel (Buggenum), dik  oͅsəls (Bilzen), dikke  hūəsəls (Gellik), eigen spellingsysteem  hoostele (Ell), horzel (Jabeek, ... ), Endepols  horsel (Maastricht), groter dan wesp  hūiərsəl (Reppel), horzel  hō.stəl (Molenbeersel), hūirsələ (Meeuwen), joͅsələ (Hees), ō.stəl (Kinrooi), kromme staart, eitjes  huə.sələ (Vroenhoven), legt eitjes  hoͅrzəl (Val-Meer, ... ), hoͅsələ (Lauw, ... ), hūirsəls (Wijshagen), wuzələ (Veldwezelt), legt eitjes;  hūiərsəl (Beek (bij Bree)), legt eitjes; heel lang  hūiərsəl (Bocholt), legt eitjes; runderhorzel  hūərsəl (Bocholt), o kort uitgespr  hōrsel (Sevenum), ook voor kwaad mensch  hoostel (Heel), ook ZND 1u, 30  hoorsjel (Amby), hossəl (Bilzen), hōͅrstəl (Rekem), o:rsəl (Maastricht), runderhorzel  hoͅsəl (Halen), hūirsəl (Gruitrode), runderhorzel; lang model wesp  hō.stəl (Kessenich), siskl.  hooschel (Stevensweert), veroorzaken die bulten  hoorsels (Herten (bij Roermond)), WBD/WLD  hòrzel (Kapel-in-t-Zand), WLD  horzel (Posterholt), hôrzel (Schimmert), WLD groot  horzel (Tungelroy), horzeltje: klein, met kromme staart  oͅsəlkə (Waltwilder), horzelvlieg: goͅrzəlvlīx (Hamont), horzelvlieg (Gors-Opleeuw, ... ), hosəlvlīgə (Munsterbilzen), hōərzəlvlēx (Neerharen), hoͅrzəlvlēx (Kanne), hoͅsəlvlīx (Nerem), hospel: hospel (Schimmert), hospĕl (Vroenhoven), kleine hommel: kleng hommel (Sint-Geertruid), knozel: knozel (Puth), koehorzel: koehooersel (Heythuysen), koehorstel (Arcen), koewhorzel (Lottum), kouwhorzel (Hushoven, ... ), kowhoorsel (Helden/Everlo), kūhoͅsəl (Riksingen), körstel (Haelen, ... ), koeienvlieg: koewevleeg (Lottum), koevlieg: kouwvlei (Kerkrade), kuvlē‧x (As, ... ), kuvlī‧x (Beverst, ... ), mispel: mispel (Maastricht), oreik: haoreik (Eijsden), hoareik (Heek), hoerijk (Mheer), hooreik (Berg-en-Terblijt, ... ), horeik (Valkenburg), oareik (Klimmen), oorijk (Meerssen), oreik (Valkenburg), oreis: hoerees (Simpelveld, ... ), oreis (Rimburg), oreit: hoereet (Eys, ... ), hooreete (Lontzen), horeet (Gulpen), horei-et (Epen), horrèt (Remersdaal), hŏĕreet (Mechelen), paardsdoorn: pèrdsdorn (Gennep, ... ), paardshorzel: peͅtshoͅsəl (Loksbergen), ronkel: roŋkəls (Heppen), roŋʔəls (Oostham), ronker: ro.ŋkər (Beverst, ... ), ro.ŋkərs (Sint-Lambrechts-Herk, ... ), ronker (Paal), roŋkərs (Hasselt), ruŋkər (Paal), die dikke boggelen zijn echte ronkers  roŋkər (Zonhoven), eitjes; kromme staart  ruŋkər (Herk-de-Stad), legt eitjes  ro.ŋkər (Berbroek, ... ), roŋkər (Linkhout, ... ), runderhorzel  ro.ŋkər (Stevoort), ruŋkər (Donk (bij Herk-de-Stad)), runderhorzel: rinjerhorzel (Heythuysen, ... ), runderhoezel (Oost-Maarland), runderhorsel (Gulpen), runderhorzel (Berg, ... ), runjerhoorsel (Neer), runjerhorzel (Roermond), røndərhoͅrzəl (Zelem, ... ), røndərhoͅsəl (Henis), røͅndərhoͅrzəl (Godschei), ründərhoͅrzəl (Meterik), rɛnərhoͅrzəl (Boorsem), eigen spellingsysteem  runderhorzel (Heugem), Veldeke  ringerhorzel (Ulestraten), rundervlieg: rundervlieg (Gelinden), scheeldees: sžəldēs (Wessem), šjeldès (Stevensweert), scheelhomp: sjèl ompe (Pey), steekhuts: legt eitjes  stē.køͅtšə (Rekem), steekvlieg: stē.kflēgə (Boorsem), stopper: stopər (Beverst, ... ), stupər (Heesveld-Eik), stopperd: stopərt (As, ... ), tahoos (fr. taon): vlieg die eitjes legt  tahōs (Vorsen), urel: y(3)̄rəl (Stramproy), y(3)̄ərəl (Paal), vlieg: vleeg (Weert), vleige (Guigoven, ... ), vlē.gə (Ellikom, ... ), vlēgə (Lanaken, ... ), vligə (Kerkom, ... ), vliigə (Berlingen), vlīgə (Hoeselt), vlīx (Henis), vlī‧gə (Munsterbilzen), runderhorzel  vlīx (Neerpelt), vliegje: vlēxskə (Leut), vuurrooster: vuurrooster (Susteren), wesp: weso (Neeroeteren), wesp (Sint-Truiden), wespel: wespələ (Stokkem), worspel: woersjpel (Borgharen, ... ), horzel  wūərspəl (Neeroeteren), runderhorzel  wui̯ərspəl (Tongerlo), zzz (onduidelijk): pənsōͅəts (Lummen), tiisə (Hamont) daas [ZND B2 (1940sq)] || daas (paardenvlieg) [SGV (1914)] || daas, paardenvlieg [ZND 01 (1922)] || Hoe noemt u de grote vlieg waarvan verschillende soorten in ons land voorkomen. De wijfjes zuigen bloed bij grote zoogdieren en mensen. De grote soorten steken pijnlijk en achtervolgen mensen en dieren met grote hardnekkigheid (daas, dazerik, dol) [N 83 (1981)] || horzel [SGV (1914)], [ZND 01 (1922)], [ZND 27 (1938)] || insect dat koeien steekt 1 [Goossens 1a (1955)] || insect I [Goossens 1b (1960)] || insect II [Goossens 1b (1960)] || insect III [Goossens 1b (1960)] || kwaadste insect (geel; slechts in mei, juni) [Goossens 1a (1955)] || larve van de paardenhorzel, worm die in de uitwerpselen van een paard kan worden aangetroffen [N 26 (1964)] || larve van de runderhorzel [DC 45 (1970)] || larve van de runderhorzel, worm die grote bulten (wormbulten) veroorzaakt in de huid van runderen [N 26 (1964)] || paardenhorzel (eieren in de haren van paarden, larven in maag en darmen) [DC 18 (1950)] || paardenwesp [Roukens 03 (1937)] || paardshorzel, insect dat zijn eitjes legt onder de huid van de koeien [Goossens 1a (1955)] || runderhorzel [Goossens 1b (1960)] || runderhorzel (larven in de huid van runderen) [DC 18 (1950)] || schapenhorzel (larven in de neusholte) [DC 18 (1950)] || worm vdit laatste insec [Goossens 1b (1960)] || worm vdit laatste insect [Goossens 1b (1960)] III-4-2