e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
takkenbos, bussel hout bak: (m.).  bak}* (Riksingen), bord: būūét (Bocholtz), (= een bussel takken en twijgen).  bēūerd (Noorbeek, ... ), borrens: borres (Middelaar), bos: bósj (Einighausen), bos hout: ⁄n bós haolt (Milsbeek, ... ), bussel: bussel (Gingelom, ... ), (= dikker en langer hout).  bəsəl}* (Donk (bij Herk-de-Stad)), (bij langere takken).  bussel (Oost-Maarland), (uit bos).  bəs(ə)l}* (Kermt), (voor erwtenrijzen).  bøͅsəl}* (Beverlo), (vr.). (dikker, langer hout).  bəsəl}* (Halen), bussel hout: bösselhout (Echt/Gebroek), (v.).  bøsəl hu̯ōt}* (Riksingen), busseltje: bössəlkə (Einighausen), (kort).  bēͅssəlke}* (Beverst), doornenmutsaard: djōənə mjoͅtsəm}* (Borgloon), doornenschans: dööresjans (Munstergeleen), fak: fag (Mechelen), fak (Margraten, ... ), fak}* (Sint-Martens-Voeren), ⁄n fak (Eijsden), (= een takkenbos).  fak (Noorbeek, ... ), (korte bos).  fak (Mechelen), (mv.: fag\\ duitse g.  dər ‧fak (Sint-Pieters-Voeren), = fague (frans).  fak (Mheer), fascine (fr.): feziene (Swalmen), (= lange takkebos). steeds v. slaghout (= alle hout behalve naoldhout).  fecien (Tungelroy), (= takkebos van lang slaghout).  ⁄n fussien (Geulle), (= takkenbos, gebruikt om dijk te maken langs beek).  fəsilə}* (Rekem), (deze is langer).  faseͅi̯n}* (Neerharen), (dikwijls wilgenhout).  fezien (Maasniel), (dit is een takkebas van zeer grote lengte ! 2 1/2 m., gebruik bij afzetten van beekranden).  fezien (Maasniel), (dubbele voor te batten, voor afkalving tegen te gaan).  feziene (Herten (bij Roermond)), (dunne lange bussel).  fetsin}* (Bree), (in het frans: fascine).  fesiene (Maasbracht), (lang kophout onverkort).  fesiene (Susteren), (lang voor waterkering).  fesiene (Leuken), (lang).  fesinen (Neeritter), (voor "batwerk" langs de Roer).  fezīēne (Melick), (voor vlechtwerk).  faziene (Montfort), fascine-schans: (van wilgehout (wȉje voor dijkbescherming - 7 meter.  fĕsīēnsjans (Haelen), floejer: (> 2 m.).  flōējere (Mechelen), (lange bos).  floejere (Mechelen), hetsel: etsel (Sint-Truiden), (= klein dunhout).  heͅtsəl}* (Halen), (= klein, dun hout).  heͅtsəl}* (Donk (bij Herk-de-Stad)), (m.).  heͅtsəl}* (Donk (bij Herk-de-Stad), ... ), afgeleid van het, hette hitte, zie Weijnen EDWb  heͅtsəl}* (Zelem), hoop: haop (Einighausen), krik: krek}* (Geistingen, ... ), krik (Aldeneik, ... ), krikke (Ell), comm.: krik = schans  kreͅk}* (Rotem), krikbos: (2 cm. lang).  kribbós (Milsbeek), (2 cm. lang).JK??  kribbós (Ottersum), motsem: də mjoͅtsəm (Ketsingen), mejotsem (Borgloon), mejtsəm}* (Beverst), mietsemen (Hoeselt), mjoͅtsəm}* (Borgloon, ... ), mjøͅtsəm}* (Romershoven, ... ), mjətsəm}* (Wintershoven), motsem (Sint-Truiden), møtsəm}* (Velm), məjoͅtsəm}* (Diepenbeek), ⁄mjoͅtsəm}* (Zepperen), (m.).  mi̯eͅtsəm}* (Hoeselt), mi̯oͅtsəm}* (Riksingen), møətsəm}* (Brustem), (m.). (mv.: {m\\ts\\ms}).  mətsəm}* (Herk-de-Stad), of: miètsenne  mietseme (Bilzen), motsemhout: jotsemhout (Koninksem), mutsaard: mutsert (Leopoldsburg), møͅtsərt}* (Beringen, ... ), mətsərt}* (Linkhout), ps. boven de # moet nog een ^ staan; deze combinatieletter kan ik niet maken/omspellen!  mətəxoͅ^ət}* (Gingelom), mutsaardhout: mutsershaat (Lommel), mutsel: mjoͅtsəl}* (Opheers), mutsel (Tessenderlo), mutser: mutser (Meldert), mytsər}* (Zelem), møtsər}* (Lummen), møͅtsər}* (Beringen, ... ), mətsər}* (Halen), (m.). verkleinw.: {n\\m[ts\\r\\, ~k\\} meerv.: {n\\m[ts\\rs}.  nəmøtsər}* (Leopoldsburg), mutsing: mjətsing (Mal), mutterd: metterd (Opglabbeek), metərt}* (Genk), meͅtər}* (Spalbeek), mitterd (Linde), mutterd (Helchteren, ... ), muttert (Ospel), mu̞ttərt}* (Hechtel), méttərt (As), mötterd (Weert, ... ), mötterde (Weert), möttert (Leuken), møtərt}* (Neerpelt), møͅtər}* (Lummen), mütterd (Opitter), mətərt}* (Bree), mətər}* (Kermt), mɛttərd}* (Genk), (kort hout).  mətər}* (Kermt), (m.).  ⁄møtərt}* (Neerpelt), ps. er staat oorspronkelijk op de lijst een R (huig-r?).  meͅtər}* (Kiewit), mutterdhout: møtərhōͅt}* (Zolder), pak: pak (Ulestraten), remmelen: (= dikkere takken).  remmele (Hoensbroek), schalm: (m.). (verzameling takken van bomen gekapt).  šalm}* (Hoeselt), schans: chans (Dilsen), een sjans (Oirsbeek), een sjāns (Hoensbroek), ein sjans (Melick), en sjans (Susteren), schaans (Heijen), schans (Blerick, ... ), schans(-vakker) (Hoensbroek), schanse (Venlo), schjans (Heerlerheide, ... ), sjaans (Gronsveld, ... ), sjans (Baarlo, ... ), sjansen (Boorsem), sjāns (Einighausen), sjâm (Swalmen), šans}* (Eisden, ... ), xa͂ns}* (Rekem), xɛns}* (Mechelen-aan-de-Maas), ⁄n sja.ns (Boukoul, ... ), ⁄n sjaans (Eijsden), ⁄n sjans (Tegelen), (import!).  schans (Weert), (is bijv. elzehout, wieëhout).  sjans (Hoensbroek), (kort).  sjans (Neeritter), (lang 1 1/2 m.).  én sjans (Susteren), (minder).  sjans (Tungelroy), (mv.: schanse).  ein schans (Blerick), (takken uitgezaagd van fruitbomen).  schjans (Schimmert), (voor het stoken van bakoven).  sjans (Klimmen), (vr.).  šāns}* (Boorsem), (± 1.30 m.).  chans (Maasniel), voorin de bakoven  sjanse (Guttecoven), schans hout: ein sjans hout (Sittard), schansje: alleen de aparte a heb ik omgespeld volgens Frings!  sjɛ̄nske (Wolder/Oud-Vroenhoven), slaghout: (= dikker en langer dan de schans).  schlaaghout (Wolder/Oud-Vroenhoven), slaghouten krik: (= hout wat een jaar of 4 gestaan heeft).  slaaghoute krik (Tungelroy), sleenhout: (bij het "slenen", afkappen van boomtakken).  sleͅjnhōt}* (Diepenbeek), spillen: speͅlə}* (Diepenbeek), stek: (m.).  steͅk mi̯oͅtsəm}* (Riksingen), stekhout: stekhōt}* (Beringen), wijper: (3-4 m. lang).  weͅi̯pər}* (Beverst), wissen: wisə}* (Diepenbeek) [SGV (1914)] [ZND 01 (1922)] [ZND 22 (1936)]Hoe noemt u: een takkenbos (mijt, kwazen, mutsert, enz.?) [N 75 (1975)] || inventarisatie benamingen takkenbos, bussel takken en twijgen alnaargelang houtsoort of boslengte [N 27 (1965)] || takkenbos, bussel takken en twijgen [N 27 (1965)] I-7