e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L269a plaats=Hout-Blerick

Overzicht

Gevonden: 1253
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
wilg (alg.) wijde: -  wiejə (Hout-Blerick) wilg (Salix) [DC 28 (1956)] III-4-3
willen willen: willə (Hout-Blerick) willen (geen context) [DC 38 (1964)] III-1-4
winderig weer luchtig weer: lôchtig waer (Hout-Blerick) winderig weer [zuchtig] [N 22 (1963)] III-4-4
winterkleren winterkleren: winkterklèjer (Hout-Blerick) winterkleren [N 23 (1964)] III-1-3
winterwortelen bewaarwortelen: bǝwāǝrwortǝlǝ (Hout-Blerick) Daucus carota L. subsp. sativus (Hoffm.) Arcang. Bedoeld zijn hier de winterwortelen (of winterpenen) die op de akker worden geteeld, zowel als veevoeder, alsook voor de consumptie door mensen, met name voor de hutspot. De fijne variëteit tuinworteltjes komt in de aflevering over de moestuin aan bod. [N Q, 6c; JG 1a, 1b, 2c; A 4, 26c; A 49, 2b; L B2, 342; L 8, 100b; L 15, 29; L 20, 26c; Wi 7; S 45; monogr.] I-5
wisselvallig weer t weer staat te luimen]: loerechtig waer (Hout-Blerick) niet schijnen te weten wat het wil gaan doen, gezegd van het weer [loerachtig [N 22 (1963)] III-4-4
witte kanten muts waarop een sierkrans werd gedragen toer: toer (Hout-Blerick) muts, witte kanten ~ waarop een sierkrans wordt gedragen {afb} [kroezel-, frul-, froezel-, krul-, poffermuts] [N 25 (1964)] III-1-3
witte kool kappes: kappes (Hout-Blerick, ... ), spitskool: zuur als zoormoos  spitskoel (Hout-Blerick) witte kool als gerecht [N Q (1966)] || witte kool, als plant of gewas [N Q (1966)] || witte kool, de kool waarvan zuurkool gemaakt wordt [DC 27 (1955)] I-7, III-2-3
witte kwikstaart kefieper: kəfiepər (Hout-Blerick), kwikstaart: kwikstert (Hout-Blerick), ploegdrijvertje: ploogdrieverke (Hout-Blerick) kwikstaart [N P (1966)] || kwikstaart, wit [DC 26 (1954)] III-4-1
witte waterlelie kuilbloem: -  koelblo:m (Hout-Blerick) witte waterlelie [DC 17 (1949)] III-4-3