e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L269a plaats=Hout-Blerick

Overzicht

Gevonden: 1253

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
akkersleep, weidesleep karbred: karbret (Hout-Blerick), plank: plaŋk (Hout-Blerick), sleep: slęi̯p (Hout-Blerick), weisleep: węi̯[sleep] (Hout-Blerick) Het toestel of werktuig waarmee men de akker en/of de weide sleept. Behalve de sleeptypen die door de afb. 89 t/m 95 worden voorgesteld, werd ook de omgekeerde eg als sleep gebruikt. Zo nodig verzwaarde men die met graszoden, een zak aarde of iets dergelijks. Vaak werd de sleepeg voorzien van berkenrijs, doorn- of braamtakken of prikkeldraad. Men kon deze tussen de egbalken door vlechten, onder de eg vastbinden of achter aan de eg bevestigen. Zulk een sleep gebruikte men vooral om pas gezaaid spurrie-, klaver-en graszaad slepend in de grond te brengen. Soms werd er ook een tarwe- of een aardappelveld mee bewerkt. De omgekeerde eg kon - al dan niet voorzien van rijshout e.d. - ook als weidesleep dienen, voor het slechten van molshopen, het fijner uitsmeren van verspreide mest en ter bestrijding van mosvorming. Men sleepte de akker of de weide soms ook wel met een grote bos berken- of andere takken, die men van voren bijeenbond of - gespreid - tussen twee balken klemde. Voor het ''sleep''-gedeelte van varianten verderop in het lemma zie men het simplex sleep aan het begin. In het lemma ''eg'' vindt men de waarde van het woord(deel ''eg'' resp. ''eg'' verklaard. [JG 1a+ 1b+ 1c+ 1d; N 11, 85; N 11A, 179 + 181b + c; N 14, 81; N 18, 22; N 27, 1a add.; N J, 10; N P, 17 + 18; N Q, 17; A 13, 16b; A 40, 10a + b; div.; monogr.] I-2
akkerwinde winde: wen (Hout-Blerick), geen onderscheid  win (Hout-Blerick) Convolvulus arvensis L. Zeer algemeen voorkomend over de grond kruipend onkruid op bouwlanden en wegbermen met een tot 1 meter lange stengel en hart- tot pijlvormige blaadjes. De klokvormige bloempjes zijn lichtroze of wit met roze strepen. De plant bloeit van juni tot september en is meer bekend onder de naam pispotjes. Bij de naamgeving wordt vaak geen onderscheid gemaakt of vindt verwisseling plaats met de grotere, klimmende haagwinde (lemma Haagwinde). In dit lemma zijn uitsluitend die benamingen verwerkt die specifiek de akkerwinde benoemen. Zie Brok 1991. [A 17, 6b; A 60A, 93; L 17, 6; S 11; monogr.] || haag- en akkerwinde [DC 17 (1949)] I-5, III-4-3
alpinomuts sjimmiemutsje: [sic]  sjimmiemutske (Hout-Blerick) alpino(muts) [patsj] [N 25 (1964)] III-1-3
andere spelen met bikkels stekje jatten: werd met 4 houten stokjes gespeeld. Die worden in een hoek of achter een boom neergelegd. Een speler, de bewaker, moet de stokjes bewaken en tegelijk de andere spelers gaan zoeken. Diegene van de verborgen spelers die erin slaagt als eerste of de meeste stokjes te stelen, is winnaar. Een latere variant van dit spel is vlak veroveren (vlak = vlag).  stekske jatte (Hout-Blerick) Wordt (werd) een dergelijk spel wel gespeeld, maar met andere voorwerpen? [N R (1968)] III-3-2
anjelier flet: flet (Hout-Blerick) [DC 17 (1949)] I-7
anjer, anjelier (dianthus caryophyllus l.) violet: -  flet (Hout-Blerick) tuinanjer [DC 17 (1949)] III-2-1
asperge sperge: spɛrjǝ (Hout-Blerick) Asparagus officinalis L. Een tot 2 meter hoge plant met naaldvormige takjes en rode bessen, die op zandgronden groeit en om de jonge, ondergrondse spruiten als groente wordt geteeld in aspergebedden. [N Q, 7; monogr.] I-5
avondspin avondspin: aovendspin (Hout-Blerick) spin, gelukbrengende ~ die men bij avond op muren ziet zitten [aovendspin] [N 26 (1964)] III-4-2
azijn edik: eek (Hout-Blerick) azijn [DC 35 (1963)] III-2-3
baalschort baal: voor extra vuil boerenwerk of werk waarbij ze op de knieën kruipen, is ook lang  baal (Hout-Blerick), baalzak: baalzak (Hout-Blerick, ... ) voorschoot van jute of grof linnen of een als schort gebruikte baalzak [slobbert, baolscholk, baalslop, pleggert, plekker] [N 24 (1964)] || zijn er verschillende namen voor verschillende soorten van deze kledingstukken ? [DC 15 (1947)] III-1-3