e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L269a plaats=Hout-Blerick

Overzicht

Gevonden: 1253

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
benauwd en vochtig weer broeierig (weer): breujerig (Hout-Blerick) warm, benauwd en vochtig weer (in de zomer) [bederfelijk, voos, smoel, zoel, zuul, broejerig, luimerig, mottig, moddelwarm, zomig] [N 22 (1963)] III-4-4
berrie berrie: bø̜ri (Hout-Blerick) Elk van de twee bomen van de hoog- en stortkar waartussen het paard gespannen werd. De berries van de hoogkar verschillen essentieel van die van de stortkar: bij de eerste lopen de berries onder de hele bak door en maken ze er deel van uit (de zijwanden worden erop vastgezet), terwijl bij de tweede de berries tot halverwege de bak lopen en een aparte constructie vormen waarop de bak rust. Hierdoor kan de bak van de stortkar kippen, terwijl de berries op hun plaats blijven. Wanneer de bak van de hoogkar echter gekipt moet worden, gaat het hele voorstel van de kar omhoog. [N 17, 16 + 50b; N G, 54b + 64b; JG 1a; JG 1b; JG 1d; JG 2c; L 32, 63; L 34, 10; A 27, 20; Lu 5, 20] I-13
beschuit beschuit: beschuut (Hout-Blerick) de beschuit [N 29 (1967)] III-2-3
beschuitbol beschuitebol: bǝsxȳtǝnbǫl (Hout-Blerick) [N 29, 61; N 29, 60] II-1
beschuitdeeg beschuitdeeg: bǝsxȳtdęjx (Hout-Blerick) [N 29, 58] II-1
beschuitdoppen beschuitedoppen: bǝsxȳtǝdø̜p (Hout-Blerick) De vormen die bij het opbollen van beschuitdeeg gebruikt worden. [N 29, 59b; N 29, 59a] II-1
beschuitmeel patentbloem: pǝtɛntblōm (Hout-Blerick) Meel voor het bereiden van beschuitdeeg. Momenteel wordt hier het beste meel voor gebruikt, vroeger wel eens tarwe- of griesmeel. [N 29, 57a] II-1
beschuitmes besehuitemes: bǝsxȳtǝmɛts (Hout-Blerick) Mes dat gebruikt wordt bij het doormidden snijden van de beschuitbollen. [N 29, 62b] II-1
bestendig weer het weer staat vast: ’t waer steit vas (Hout-Blerick) bestendig weer [vaste lucht] [N 22 (1963)] III-4-4
betrekken (lucht) zich klaren: klaort zích déck (Hout-Blerick) dicht gaan zitten zodat er regen dreigt, gezegd van de lucht [de lucht overtrekt, groeit, belommert] [N 22 (1963)] III-4-4