e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L372p plaats=Maaseik

Overzicht

Gevonden: 4905

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
abuis abuis: ook materiaal znd 19a,6  abeùs (Maaseik), mis: de beͅs mis (Maaseik), des mis (Maaseik), des mis (Maaseik), det es mes (Maaseik), det es mis (Maaseik), det is mis (Maaseik), doe bès mis (Maaseik), ook materiaal znd 19a,6  doe bès mis (Maaseik), ook materiaal znd 19a,6 met een verkortingsteken op de i  de beͅs mis (Maaseik), verkeerd: det is verkierd (Maaseik) abuis [ZND 01 (1922)] || Dat is mis. [ZND 38 (1942)] || Ge zijt abuis (= ge vergist u). [ZND 19 (1936)] III-1-4
achterdocht erg: ig hauw der gein erg in (Maaseik), ook materiaal van vr.lijst 32, vr. 44  gein erg in (Maaseik) achterdocht [ZND 01 (1922)] || ik had geen achterdocht (ik vermoedde geen kwaad) [ZND 32 (1939)] III-1-4
achtergebleven hooi harken scharren: šarǝ (Maaseik) Wanneer het hooi is binnengehaald werd soms nog eens het hooiland afgeharkt om het achtergebleven hooi te verzamelen. [N14, 122; A 34, 4 add.] I-3
achterhaam achterhaam: axtǝrām (Maaseik), boks: boks (Maaseik) Samenstel van riemen dat op het achterwerk van het paard wordt gelegd en dient om de kar achteruit te stoten. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 74; monogr.] I-10
achterhand van het paard achterwerk: axtǝrwɛrǝk (Maaseik) Het achtergestel van een paard, in tegenstelling met de voorhand of het voorste deel (3.1.3), en het middendeel of de middenhand (3.3.5). [N 8, 13 en 32.9] I-9
achterklauw achterste klauw: axtǝrstǝ klau̯w (Maaseik), schoen: (mv)  šon (Maaseik) Achterste deel van de hoef. [N 3A, 119c] I-11
achterknie hak: ak (Maaseik) Uitstekend achterpootsgewricht van het paard. Een gedeelte van de termen duidt niet de uit- maar de insprong of knieholte aan. Zie afbeelding 2.40. [JG 1a, 1b, 2c; N 8, 32.1, 32.5, 32.9, 32.10, 32.11 en 32.12] I-9
achternaafband naafband: %%meervoud%%  nāf˱be̜nj (Maaseik) De ijzeren band om het achtereinde van de naaf, aan de kant van de wagen. De achternaafband is doorgaans smaller dan de muilband. Zie ook afb. 214. [N G, 43d; N 17, 60b; Vld.] II-11
achterschijf stootring: stutre̜ŋk (Maaseik) Ronde, met het wiel meedraaiende schijf tussen de naaf en de stootring van het asblok. De achterschijf verhindert dat er tijdens het rijden vet of smeer verloren gaat en vuil de naafbus kan binnendringen. Woordtypen met als tweede lid het woord -ring komen ook voor in het lemma ɛstootringɛ (WLD I.13).' [N G, 50a; N 17, 56; JG 1b, add.] II-11
achterste achterste: achterste (Maaseik), echterste (Maaseik), kont: kònt (Maaseik), vot: vot (Maaseik), Normaal gebruik  vot (Maaseik) [N 10c (1995)]achterste [ZND 01 (1922)] III-1-1