e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q161p plaats=Piringen

Overzicht

Gevonden: 1033
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
pastoor pastoor (<lat.): pəsto:r (Piringen) pastoor [RND] III-3-3
pater pater (lat.): poͅ.ətər (Piringen) pater [RND] III-3-3
penis van de stier schacht: šā.x (Piringen) Mannelijk geslachtsorgaan. [JG 1a, 1b] I-11
pet: algemeen klak: klak (Piringen) pet, muts, klak [RND] III-1-3
peterselie petersel: peͅi̯tərsel (Piringen), peterselje: pētərsildjə (Piringen) [Goossens 1b (1960)] [ZND 05 (1924)] I-7
peul, dop (znw) schaal: šōͅəl (Piringen) [Goossens 1b (1960)] I-7
peulen, doppen (ww.) peulen: puələ (Piringen) [Goossens 1b (1960)] I-7
pijn pijn: pa.ən (Piringen) pijn [RND] III-1-2
pikbinder zichtmachine: zī.x[machine] (Piringen) Machine die niet alleen maait, maar het koren ook tot schoven samenbindt. Zie afbeelding 6. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [machine] zie het lemma ''maaimachine'' (3.2.18) in aflevering I.3. Kaart 36 is een woordkaart gebaseerd op het materiaal uit dit lemma; kaart 37 is een betekeniskaart, gebaseerd op het materiaal uit dit lemma èn het lemma ''graanmaaimachine'' (4.5.2) en toont waar men met de termen zicht- en pikmachine ofwel de enkelvoudige maaimachine ofwel de combinatiemachine, pikbinder, aanduidt.' [N J, 4a; JG 1a, 1b; monogr.] I-4
pit van een steenvrucht keets: kits (Piringen) kern [ZND 01 (1922)] I-7