e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
kuis, ingetogen begijn: Zo wordt iemand die zo is, genoemd!  begīēn (Grevenbicht/Papenhoven), braaf: braaf (Echt/Gebroek, ... ), braaw (Lommel), brààf (Amstenrade), brááf (Heel), br‧āf (Eys, ... ), deftig: deftig (Tongeren), degelijk: degelek (Weert), ⁄n degelik megje (Sevenum), deugdzaam: deugdzaam (Meijel), donna (it.): dona (Meeuwen), eerzaam: iërzaam (Heythuysen), fatsoenlijk: fatsoenlik (Venray), fetsoenlik (Caberg), ps. invuller twijfelt over het antwoord!  fatsoenlijk ? (Eigenbilzen), fijn: finj (Meijel), haar bloempje nog hebben: di-j héét héér bleemke nòg (As), heilige: heiligge (Vlodrop), ingetogen: iggətaoəgə (Heerlen), igstoagə (Wijnandsrade), ingetoge (Maastricht), ingetogen (Schimmert), ingətaogə (Venlo), kies: kies (Ittervoort, ... ), kuis: keujes (Heers), kues (Tungelroy), kuis (Achel, ... ), kuisj (Gulpen), kuus (Geleen, ... ), kūūs (Venlo), kø̄jsj (Montzen), køͅjs (Meijel), Werd vooral overal over gezwege of omschreve; bv. "die mot enne klène kriege"(ôngetrouwd!!).  kuis (Oirlo), maagd: maag (Maastricht), māāch (Reuver), maagdelijk: maagdelijk (Gulpen), maagdelik (As, ... ), modeste (fr.): medès (Maastricht), modés (Klimmen), moodés (Beesel), (accent op tweede lettergreep).  modes (Stein), net: net (Caberg, ... ), nèt (Heerlen), netjes: netjes (Oirlo), netsjes ziéen (Terlinden), niet vies: niet vies (Oirlo), onbedorven: ŏnbədŏrvə (Nieuwenhagen), ongekust: onjeküst (Kerkrade), onschuldig: oonsjuldig (Maastricht), oppassend: oppassendj (Weert), rein: reen (Brunssum, ... ), rein (Maastricht, ... ), rēēn (Nieuwenhagen, ... ), serieus: serieus (Leopoldsburg), sərjuis zén (Loksbergen), tchtig (du.): tuchtig (Beesel), zedig: zedig (Ell, ... ), zeedig (Neer), zuiver: zeuver (Hoensbroek), ziever (Eigenbilzen), zuiver (Zonhoven), zuu.vər (Kelpen), zuuver (Baarlo, ... ), zuuver lève (Schimmert), zuuvər (Maastricht, ... ), zuver (Geistingen, ... ), zuvər (Wijnandsrade), zuëver (Waubach), zūūver (Amby, ... ), zūūvər (Heerlen, ... ), zûver (Eksel) kuis [N 96D (1989)] || kuis, zuiver [N 94 (1983)], [N 96D (1989)] || kuis; rein van zeden; maagdelijk; ingetogen; zich onthoudend van zinnelijk genot [kuis, kies, zuiver] [N 86 (1981)] III-2-2