e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
schoen: spotnamen boot: bōtə (Boekt/Heikant), boten  boeətə (Beringen), buwətə (Beringen), bootje: botjes (Tegelen, ... ), botšəs (Hasselt), bōtsəs (Riksingen), bōtšəs (Romershoven), bytšəs (Opglabbeek), böjʔəs (Kwaadmechelen), bøjʔəs (Kwaadmechelen), voor grote maten  bietsjes (Bree), dauwtrapper: vgl. Van Dale: dauwtrappen, volksgebruik om op Hemelvaartsdag of 2de Pinksterdag of de eerste zondag in mei vroeg naar buiten te gaan en zich daar te onstpannen, ...trapper; ...trapster.  douwtrappers (Nieuwenhagen), deegtrapper: deigtrapper (Stevensweert), doortrapper: doortrappers (Herten (bij Roermond)), dress (<fr.): var. v. tressé? &lt; Van Dale: dresseren, 2. vlak, gelijk maken; (in de confectie) (een kledingstuk) door persen in de gewenste vorm brengen? i.e. Van Dale (FN): dresser, 5. &lt;amb.&gt; rechtmaken - platmaken, houwen  dreͅsəs (Herk-de-Stad), gamasche: kamasche (Valkenburg), kemasje (Einighausen), hondsgetuig: hoͅndsgatøͅX (Herk-de-Stad), hool: hedde noch gin hool oan auw vuut  hoo’l (Eksel), jol: [sic] [Van Dale: jol1, 1. licht roei- en zeilvaartuig met scherpe voor- en platte achtersteven; 2. naam van de kleinste sloep op oorlogs- en andere schepen]  jalle (Weert), ketser: schoenen, vooral damesschoenen, die veel lawaai maken bv bij hetbinnenkomen van de kerk  keͅtsərs (Velm), kistje: kesjer (Kerkrade), kisjes (Meijel, ... ), kiskes (Caberg), militair  kistjes (Horn), kloefer: WNT: kloef, 1) Houten schoen, klomp... Afl. kloefer.  kloffers (Beringen), klofərs (Beringen), klūfərs (Linkhout), klommelen van schoenen: klomələ va šōn (Teuven), latsch (du.): Van Dale (DN): Latsch &lt;m., -e&gt;, 1. (oude) slof, pantoffel; - 2. versleten schoen; - 3. sloffer.  laatsje (Puth), latsje (Hoensbroek), lāātsje (Hoensbroek), leren klomp: lērə klompə (Opglabbeek), leren tram: leerem traum (Maastricht), leren tram (Sint-Truiden), lirən tram (Neerpelt), lèretram (Val-Meer, ... ), lèère tram (Mheer), lére tram (Nuth/Aalbeek), leren trapper: lére trappers (Susteren), lompe schoen: Plomp, onsierlijk van vorm.  lompe schoenen (Meeuwen), parlavie: [sic]  parlaveͅis (Sint-Truiden), platser: platsjers (Stein), platspoot: platsjpûût (Klimmen), platvoet: platvuut (Hoeselt), plavuis: plevuuze (Venlo), ploet: WNT: ploet, waarschijnlijk een klanknabootsing met de bet. vod, lap, het meervoud is dan later schertsend gebezid voor kleeren. Verg. plod. // Ploeten (Limb.), kleedingstukken, schuerm. 491a.  ploete (Baarlo), pratserd: [sic] - vgl. Kerkrade Wb. (p. 229), Sittard Wb. (p. 326): pratsj, modder.  pratscherde (Brunssum), schaatser: [sic]  sjatsers (Panningen), scheepje: scheepkes (Boekt/Heikant), šipkəs (Maaseik), schepper: [sic]  paar sjöppers (Heythuysen), schip: schepen (Boekt/Heikant), sXēpə (Boekt/Heikant), šēp (Lanklaar), šeͅpə (Mechelen-aan-de-Maas, ... ), schoenen wie schepen: šōn wi šepər (Teuven), schuit: schuutjer (Kerkrade), sXøtə (Boekt/Heikant), schuiten  schèùte (Beringen), sXøͅtə (Beringen), sjimmieschoen: [sic]  schiemiesjoon (Nieuwenhagen), slijkschoen: šliejksjoon (Tegelen), slijktrapper: sjlìèjktrappers (Tegelen), šliejktrappers (Tegelen), slob: schlòbbe (Meerssen), stapper: sjtappers (Swalmen), trampelaar: trampeleers (Grathem), trapper: trappers (Beek, ... ), trappersj (Ulestraten), trappesj (Sittard), trɛpərs (Opheers), Bargoens.  trapper (Sittard), Brg., syn. trappërik(s).  trappër (Tongeren), plompe brede schoenen  trappers (Schinveld), trapperik: Brg.; syn. trappër.  trappërik(s) (Tongeren), trats: [sic; of twee aparte woorden?] vgl. Kerkrade Wb. (p. 273): traatsje mv. In de uitdr. Loof nit mit dieng - durch dr ring jesjroebde jank, loop niet met je vuile poten door de pas geschrobde gang.  traatsche treejers (Nieuwenhagen), Vgl. WNT sub trassen (II): Wellicht een assimilatievorm van *tratsen en verwant met het op nd. en hd. gebied zeer verbreide tratschen, door D.Wb. van klankschild. oorsprong genoemd... 1) Door de modder lopen 2) Heen en weer lopen 3) Bedelend rondgaan...  tratsche (Heerlerheide, ... ), tratsje (Klimmen, ... ), trāātsje (Hoensbroek), tratserd: plompe brede schoenen Vgl. WNT sub trassen (II): Wellicht een assimilatievorm van *tratsen en verwant met het op nd. en hd. gebied zeer verbreide tratschen, door D.Wb. van klankschild. oorsprong genoemd... 1) Door de modder lopen 2) Heen en weer lopen 3) Bedelend rondgaan...  tratsjete (Schinveld), Vgl. WNT sub trassen (II): Wellicht een assimilatievorm van *tratsen en verwant met het op nd. en hd. gebied zeer verbreide tratschen, door D.Wb. van klankschild. oorsprong genoemd... 1) Door de modder lopen 2) Heen en weer lopen 3) Bedelend rondgaan...  tratsjerte (Hoensbroek, ... ), treder: traeers (Sittard), traejer (Venlo), traejers (Blerick, ... ), traiers (Boekend), traijers (Boekend), treajérs (Hout-Blerick), treejers (Schimmert), trēͅjərs (Bree), treͅi-jərs (Bocholt), treͅjərs (Kaulille), tri-jərs (Hasselt), trèèjers (Blerick, ... ), trééjers (Hout-Blerick, ... ), [sic; of twee aparte woorden?] vgl. Kerkrade Wb. (p. 273): traatsje mv. In de uitdr. Loof nit mit dieng - durch dr ring jesjroebde jank, loop niet met je vuile poten door de pas geschrobde gang.  traatsche treejers (Nieuwenhagen), trekker: tjekkers (Borgloon), traekers (Limbricht), turftrapper: een grote maat  turftrappers (Maasniel), vaarschoen: vaarsjoon (Neeroeteren), zerkje: [zerkjes?, zerk + -sje &lt;verkl.&gt; + -(e)r &lt;mv.&gt;] vgl. kistjes; (Heerlen Wb.: kis, 2. zerk).  zerksjer (Kerkrade) plompe schoenen || schoen || schoen: spotbenamingen [N 24 (1964)] III-1-3