e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zijspleet in de overrok binnentas: binnetés (Eksel), bomgat: boemgat (Paal), bumgat (Paal), losse maal: loͅsə malə (Rekem), maal: maal (Diepenbeek), moͅul (Riksingen), maalskot: malskuət (Hasselt), rokkenspleet: rokkesjpleet (Puth), rokspleet: rokspleet (Leopoldsburg), roͅksplēt (Leopoldsburg), scheur: scheur (Jabeek), scheurgat: sjuërgaat (Boorsem), sXøͅrgout (Herk-de-Stad), šøͅrgat (Mechelen-aan-de-Maas), scheuring: sjeuring (Val-Meer, ... ), scheursgat: scheuirsgaot (Sint-Truiden), scheursgaat (Maastricht, ... ), schueursgaat (Meijel), sjeursgaat (Maastricht, ... ), sic  scheuersgaat (Meijel), scheurskot: scheerskoet (Eigenbilzen), scheurslok: sjeurslaok (Schimmert, ... ), sjieërslaok (Klimmen), sjūūrsloak (Hoensbroek), sjûûrslaok (Klimmen), schootlok: [lett. Schoss (du.) + Loch (du.), rk]  sjoeës-loach (Bleijerheide), schortsgat: Van Dale (DN): Schurz, 1. schort(je), voorschoot; - 2. lendendoek, schort.  sjêûtsgat (Mechelen), schreursgat: (Vero.) [´ : sleeptoon] [Van Dale: schreur (van schroden, snijden, i.h.b. ook kleren), <gew.> kleermaker.]  sjreursgáat (Tegelen), [Van Dale: schreur (van schroden, snijden, i.h.b. ook kleren), <gew.> kleermaker.]  schreursgaat (Baarlo, ... ), schreursgat (Meerlo, ... ), schreursgaät (Amstenrade), schriersgaat (Neeroeteren), schruursgaat (Venlo, ... ), schruursgat (Maaseik), schruuërsgaat (Weert), sjreursgaat (Einighausen, ... ), sjreursgāāt (Swalmen), sjreursgàat (Tegelen), sjreursgáat (Tegelen), sjriersgaat (Bree), sjruursgaat (Meijel, ... ), sjrörsgaat (Stevensweert), sjröärsgaat (Horn), sjrûûrsgaat (Panningen), sXrø̄rsgāt (Kaulille), šri:rsga.t (Meeuwen), šrirsjat (Opglabbeek), šrīrsjàt (Bree), šry(3)̄rsgāət (Rotem), šryrsxāt (Meeswijk), šrüürsgāt (Bocholt), [Vgl. N24,007: zijspleet in de overrok waarlangs men bij de zak in de onderrok kan komen] [Van Dale: schreur (van schroden, snijden, i.h.b. ook kleren), <gew.> kleermaker.]  sjruërsgaat (Tungelroy), NB sjriêr: kleermaker. [Van Dale: schreur (van schroden, snijden, i.h.b. ook kleren), <gew.> kleermaker.]  sjriêrsgaat (Bree), Sjreursgaat < sjreur schoenmaker + s + gaat gat. [Van Dale: schreur (van schroden, snijden, i.h.b. ook kleren), <gew.> kleermaker.]  sjreursgaat (Maastricht), schreurskot: [Van Dale: schreur (van schroden, snijden, i.h.b. ook kleren), <gew.> kleermaker.]  šeskyt (Rosmeer), schreurslok: [Van Dale: schreur (van schroden, snijden, i.h.b. ook kleren), <gew.> kleermaker.]  schreurslaok (Brunssum, ... ), schreursloak (Hoensbroek), schruujschloak (Heerlen), sjreurslaok (Sittard), sjroenssjlook (Ulestraten), sjruersj-laok (Klimmen), sjruuerslook (Mheer), sjruuörslaok (Hoensbroek), NB: schruuër, snijder. [Van Dale: schreur (van schroden, snijden, i.h.b. ook kleren), <gew.> kleermaker.]  schruuërslaok (Valkenburg), Vero. [Van Dale: schreur (van schroden, snijden, i.h.b. ook kleren), <gew.> kleermaker.]  sjruursloëk (Gronsveld), schreurstas: De zak (tas) werd met een lint vastgemaakt. [Van Dale: schreur (van schroden, snijden, i.h.b. ook kleren), <gew.> kleermaker.]  schruuërstes (Weert), sleursgat: [sic]  sjlörsgaat (Susteren), slip: slep (Borlo, ... ), slip (Kwaadmechelen, ... ), sløp (Neerpelt), sləp (Halen), slipje: slüpke (Neerpelt), snijdergat: sneͅiërgo͂ͅët (Kermt), snijdersgat: sniersgaat (Sevenum, ... ), snijdersgaat (Maastricht), šnyrsyāt (Lanklaar), snijderslok: snijderslook (Wijk), snijgat: sneigōət (Hamont), spleet: schpleet (Schimmert), sjplieët (Eijsden), spleet (Blerick, ... ), spleet in de rok (Borgharen), splēt (Boekt/Heikant, ... ), spleͅit (Sint-Truiden), spleetje: sjplieëtje (Hoensbroek), split: schplit (Mechelen), sjplit (Hoensbroek), splet (Tessenderlo, ... ), split (Boekend, ... ), struislok: [sic]  sjtruueslaok (Schinveld), strues-loak (Brunssum), tas: tēͅs (Borgloon), teͅs (Beringen, ... ), tès (Beringen, ... ), tasgat: tesgaat (Weert), tassengat: tessegaat (Ell), tassenlok: tesjelaok (Beek), tesse-lōēëk (Oost-Maarland), zijmaal: zijmaal (Hoeselt), zijspleet: ziesjpleet (Sittard), zijtas: zeteͅs (Beringen), zijtès (Beringen) [sjreursgaat*]: zijspleet in vroegere vrouwenrokken || gulp, split in een mansbroek || opening in de bovenrok van vrouwen, waardoor zij een met een snoer rond haar lichaam gebonden buidel (tes) kon bereiken || opening in een kleed, er door den schreur aangebracht || opening in rok van vrouwen || rok met eronder aangebonden zak met opening aan buitenzijden || slip in broek, rok || spleet in de bovenrok van vrouwen, waardoor zij een, met een snoer rond het lichaam gebonden buidel (tes) konden bereiken || spleet opzij in bovenrok om bij de rokketes te kunnen komen || zak, gedragen onder vrouwenrok, te bereiken via schruuërsgaat. || zijopening aan een vrouwenrok || zijopening aan vrouwenrok om de maal te kunnen bereiken || zijspleet in de overrok waarlangs men bij de zak of tas in de onderrok kan komen [snijdersgat, schreursgat, sjeursloak] [N 24 (1964)] || zijspleet in vrouwenrok III-1-3