e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Alt-Hoeselt

Overzicht

Gevonden: 291

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
aangeladen, toegemalen toegemalen: tawgǝmǭǝlǝ (Alt-Hoeselt) Gezegd van het scherpsel van een molensteen wanneer dit toegeplakt raakt als gevolg van deegachtig meel. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛaanladenɛ.' [N O, 34n; Vds 181; Jan 264; Coe 147] II-3
aanliggen in de rij liggen: in de rij liggen (Alt-Hoeselt) Wanneer de rij over de volle lengte van de molensteen draagt, dan zegt men dat de steen vlak is en dat de rij aanligt. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛvlakɛ.' [Vds 224; Jan 197; Coe 170] II-3
aanmalen aanzetten: ǭǝnzętǝ (Alt-Hoeselt) Met een nieuwe of pas gescherpte molensteen beginnen te malen. In P 51 bracht men daarbij een hoeveelheid zemelen als eerste ø̄maalgoedø̄ tussen de stenen. Men noemde dit: een beetje zemelen tussenbrengen (ǝ betskǝ zēmǝlǝ tøsǝbreŋǝ). Zie ook het lemma ɛin het gemaal brengenɛ.' [N O, 36h; Vds 163; Jan 263; Coe 203; N O, 34q; monogr.] II-3
afgeroomde melk aflaat: ōflou̯t (Alt-Hoeselt) De vloeistof die overblijft als de melk ontroomd is. [A 7, 15 en 17; A 23, 4a; L 27, 29; JG 1a, 1b; L 1u, 103; Lu 1, 3 en 4a; monogr.] I-11
aflaten, afdraaien daallaten: dɛllø̜tǝ (Alt-Hoeselt), laten afvallen: lø̜tǝn ǭf˲valǝ (Alt-Hoeselt), laten toevallen: lø̜tǝn tǫwvalǝn (Alt-Hoeselt) De sluis laten zakken met behulp van een hefboom of winde. Wanneer wordt gewerkt met een hefboom, kan de molenaar de sluis in één ruk laten dichtvallen. Woordtypen als instoten, ingooien, toehouwen, toegooien en toesmijten wijzen daar dan ook op. Wanneer een winde wordt gebruikt, moet de molenaar de sluis afdraaien. Zie ook het lemma ɛoptrekken, opdraaienɛ.' [Vds 43; Jan 44; Coe 30; Grof 60] II-3
ang ang: (Alt-Hoeselt) Het dun toelopende uiteinde van de sluisstijlen dat past in een daarmee overeenstemmend gat van de sluisbalk en de slagdorpel, het anggat. In het lemma zijn zowel benamingen voor de ang als voor het anggat opgenomen. [Vds 37; Jan 33] II-3
appel, algemeen appel: apəl (Alt-Hoeselt, ... ) [ZND 01 (1922)] [ZND 26 (1937)] I-7
bel bel: bɛ̄l (Alt-Hoeselt) De bel die de molenaar waarschuwt wanneer het kaar bijna leeg is. Deze bel klingelt telkens als de speelman tegen een blokje slaat, dat door een koord met de bel verbonden is. Onder het malen is dit blokje omhoog gespannen, zodat de speelman het niet kan raken. Het blokje is verbonden met een plankje dat in het kaar ligt en door het gewicht van het graan onder gehouden wordt. Als het graan vermindert, komt het plankje omhoog waardoor het blokje niet meer omhoog gespannen blijft maar neerkomt, zodat de speelman ertegen slaat (Groffils, pag 145 en 146). Op sommige plaatsen, zoals bij de oude molens in Q 88, Q 95 en Q 188, had men geen bel en moest de molenaar steeds goed op de graanhoeveelheid in het kaar letten (Coenen, pag. 123). [N O, 21b; Vds 155; Jan 161; Coe 145; Grof 170] II-3
beschimmeld bedorven: bǝdø̜rvǝ (Alt-Hoeselt), rot: rǫt (Alt-Hoeselt), versmotst: vǝrsmuts (Alt-Hoeselt) Beschimmeld, gezegd van meel. [Vds 162; Grof 180] II-3
blijven wachten blijven: ps. tussen de € en de v staat nog iets; is niet duidelijk wat daarmee bedoeld wordt.  blēͅvə (Alt-Hoeselt) blijven [ZND 25 (1937)] III-4-4