e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L425p plaats=Grevenbicht/Papenhoven

Overzicht

Gevonden: 2562

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
(blijven) plakken klenderaar (zn.): klenjərraer (Grevenbicht/Papenhoven) lang in een café blijven zitten of lang bij iemand op bezoek blijven [plakken] [N 87 (1981)] III-3-1
(met) het hoofd stoten botsen: bōtsen (Grevenbicht/Papenhoven), urges teege bōtse (Grevenbicht/Papenhoven), stoten: urges teege stóóte (Grevenbicht/Papenhoven) stoten: het hoofd stoten (kinderwoord) [boetse, zijn eige boetse] [N 10 (1961)] || stoten: met het hoofd stoten [boetse, erges teege boetse] [N 10 (1961)] III-1-2
(met) stevige benen goede stompels: goöj stumpele (Grevenbicht/Papenhoven) benen: met stevige benen [hij is gestapeleerd] [N 10 (1961)] III-1-1
(zich) bukken (zich) bukken: bòkke (Grevenbicht/Papenhoven) bukken, zich bukken [bukke, bokke] [N 10 (1961)] III-1-2
<naam> namensdag: namesdaag (Grevenbicht/Papenhoven) Een naamfeest, naamdag [vernamsdaag, nametsdaag]. [N 96C (1989)] III-3-2
[falie] falie: fāālje (Grevenbicht/Papenhoven) falie [SGV (1914)] III-1-3
aalmoes aalmoes: aalmoes (Grevenbicht/Papenhoven), aalmoos (Grevenbicht/Papenhoven) aalmoes [SGV (1914)] || de gift aan een arm persoon [aalmoes, arremoes, karitaat] [N 89 (1982)] III-3-1
aalmoezenier aalmoezenier: aalmozeneer (Grevenbicht/Papenhoven) Een priester die belast is met de zielzorg van een bepaalde klasse of groep van mensen [aalmoezeneer]. [N 96D (1989)] III-3-3
aam, maat van 150 l. aam: oam (Grevenbicht/Papenhoven) aam (maat) [SGV (1914)] III-4-4
aambeien kwakelen: kwaakkəllə (Grevenbicht/Papenhoven) Aambeien: bes- of knobbelvormige zwellingen van de aders aan de anus of aan het onderste gedeelte van de endeldarm (speen, spenen, blikaar(d)s, aambeien, puisten, bikaards, vijgpuisten). [N 84 (1981)] III-1-2