e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Heer

Overzicht

Gevonden: 1801

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
barbeel berp: Endepols  berreb (Heer) Hoe noemt u de barbeel: een zoetwatervis. De buikvinnen staan ver achter de borstvinnen, ter hoogte van de rugvin. Het lichaam is lang en slank en de staartvin is diep ingesneden. De bek heeft geen tanden, wel dikke lippen, waarvan de bovenste lange baard [N 83 (1981)] III-4-2
barrevoets barrevoets: bĕrreves (Heer), op blootse voeten: up blutsə vø:j (Heer) barrevoets [SGV (1914)] || blootvoets [RND] III-1-3
bascule bascule: bəskuul (Heer) Weeginstrument met vaste vloer (bascule). [N 18 (1962)] III-3-1
bed bed: be̝ͅt (Heer) bed [RND] III-2-1
bedorven ei liezeneier: lęi̯zǝnęi̯ǝr (Heer) [N 19, 54d; L 6, 39; S 31; monogr.] I-12
bedriegen bedriegen: bedreege (Heer) bedriegen [SGV (1914)] III-1-4
bedroefd bedroefd: bedreuf (Heer) bedroefd [SGV (1914)] III-1-4
bedsprei bedsprei: be̝ͅtšprēͅi̯ (Heer) bedsprei [RND] III-2-1
beekprik windel: Endepols  windel (Heer) Hoe noemt u de prik (rivierprik): heeft geen kaken, heeft kieuwopeningen en slechts één neusgat. Het is een roofvis die zich met de mond aan een prooi hecht en deze tot bloedens toe verwondt met een rasp apparaat. Hij heeft één cirkel van hoorntanden. De [N 83 (1981)] III-4-2
beemd band/bend: be.nǝntǝ (Heer), bęnǝnt (Heer), bęnǝtǝ (Heer) Het begrip beemd is, getuige ook de bronnenopgave bij dit lemma, vaak afgevraagd. Op grond van de informatie die de informanten bij hun antwoord gaven, springen er twee betekenissen uit van beemd. De eerste is ø̄lager gelegen, vochtig weilandø̄ en de tweede is ø̄hooiweide of hooilandø̄. Een aantal informanten vermeldt erbij dat beemd weiland is aan de Maas of aan een beek. Enkele andere bijvoegingen zijn: ø̄slechte wei met veel onkruidø̄, ø̄grasland zonder omheiningø̄, ø̄weiland met enkele bomenø̄, ø̄stuk zure grondø̄. De lage ligging wordt nogal eens als een slechte eigenschap, als minderwaardig, gewaardeerd. Sommige informanten geven aan dat een beemd iets anders is dan een broek. Mede door de diverse bijvoegingen bij de antwoorden zijn de beemd-opgaven daarom niet verwerkt in lemma 1.3.2 ɛlaaggelegen weidegrondɛ, waarin de broek-opgaven domineren. Binnen de woordtypen beemd en band/bend is niet altijd met zekerheid te zeggen of ze enkel- of meervoud zijn. Waar dit met zekerheid te zeggen is, is dit aangegeven.' [N 14, 53; N 14, 52; N 14, 50a; N 14, 50b; N 6, 33b; N P, 5; JG 1a, 1b, 1c; L 19b, 2aI; L 1a-m; L 4, 40; A 10, 4; S 2, 5, 43; Wi 6; RND 20; Vld.; monogr.] I-8