e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q009p plaats=Mechelen-aan-de-Maas

Overzicht

Gevonden: 2815

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
(iets) zich niet aantrekken niet aantrekken: dat moos te dich neet aantrekken (Mechelen-aan-de-Maas) Ge moet u dat niet aantrekken [ZND 32 (1939)] III-1-4
(met) het hoofd stoten botsen: bòutsen met de kop (Mechelen-aan-de-Maas), stoten: met de kop stoiten (Mechelen-aan-de-Maas) stoten: het hoofd stoten (kinderwoord) [boetse, zijn eige boetse] [N 10 (1961)] || stoten: met het hoofd stoten [boetse, erges teege boetse] [N 10 (1961)] III-1-2
(met) stevige benen stijve benen: stief beinn (Mechelen-aan-de-Maas) benen: met stevige benen [hij is gestapeleerd] [N 10 (1961)] III-1-1
(persoon met) bleek, flets gezicht beddenzeikersgezicht: beddezeikersgezicht (Mechelen-aan-de-Maas) hij heeft een flets gezicht (bleekgeel, ziekelijk) [ZND 23 (1937)] III-1-2
-> [wld iii 2.2] - wld iii, 2.2 !: bavet (Mechelen-aan-de-Maas), dok (Mechelen-aan-de-Maas), doypkleͅdšə (Mechelen-aan-de-Maas), døypdeͅkəntšə (Mechelen-aan-de-Maas), døypmøtskə (Mechelen-aan-de-Maas), døͅypkleͅtšə (Mechelen-aan-de-Maas), døͅypmətskə (Mechelen-aan-de-Maas), døͅyppləkskə (Mechelen-aan-de-Maas), halspləkske (Mechelen-aan-de-Maas), navəlbenšə (Mechelen-aan-de-Maas), nāvəlbentšə (Mechelen-aan-de-Maas), pisdōk (Mechelen-aan-de-Maas), roͅuvwal (Mechelen-aan-de-Maas), roͅuwməts (Mechelen-aan-de-Maas), vwal (Mechelen-aan-de-Maas), zeͅivərleͅpkə (Mechelen-aan-de-Maas), zeͅivərləpkə (Mechelen-aan-de-Maas) dekentje waaronder de dopeling naar de kerk wordt gedragen [N 25 (1964)] || doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || doopjurkje [deumhemke] [N 25 (1964)] || doopmutsje [N 25 (1964)] || luier [winjel, luur, kindsdoek, psidoek, huik] [N 25 (1964)] || muts met poffer, minder kostbaar of minder uitgedost dan de grote witte muts, die bij rouwgelegenheden wordt gedragen [rouwpoffer] [N 25 (1964)] || navelbandje [nagelbendje] [N 25 (1964)] || rouwsluiter(s) aan een hoed [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)] III-1-3
<naam> <naam>: naamfies veerə (Mechelen-aan-de-Maas, ... ), naamsdaag (Mechelen-aan-de-Maas), zène naamsdaag veeren (Mechelen-aan-de-Maas, ... ), mei: ene mei steken (Mechelen-aan-de-Maas, ... ), mei steken: ene mei steken (Mechelen-aan-de-Maas) Een naamfeest, naamdag [vernamsdaag, nametsdaag]. [N 96C (1989)] || Hoe heet: het naamfeest van iemand vieren? [ZND 32 (1939)], [ZND 32 (1939)] || Iemand besteken (ter gelegenheid van zijn naamfeest). [ZND 33 (1940)] III-3-2
[falie] falie: fāləj (Mechelen-aan-de-Maas), ZND35,010b: Bestaat niet veel meer. Bij eenige kleine boeren of werkmenschen.  falie (Mechelen-aan-de-Maas), sluier: sløjər (Mechelen-aan-de-Maas), voile (fr.): vwāl (Mechelen-aan-de-Maas, ... ) falie (zwarte doek die de vrouwen vroeger droegen, nu nog hier en daar in gebruik bij begrafenissen) [ZND 35 (1941)] || sluierdoek, zwarte ~ die over hoofd en schouders wordt gedragen, gewoonlijk in de rouwtijd [vaol, voeël, falje, falie, slöjer, linao] [N 23 (1964)] III-1-3
[kazavek?] kazavek: Klein jaske onder jas van kostuum; gedeelte van kostuum.  kazevek (Mechelen-aan-de-Maas), klein werkjasje voor mannen  kežəveͅk (Mechelen-aan-de-Maas), kazavekje: kašəvəkskə (Mechelen-aan-de-Maas) kasjevék, in de betekenis van vrouwenmantel; betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] || Kent u het woord kazevek, kazaver, kazawik voor een bepaald kledingstuk? Geef de juiste uitspraak op [ZND 48 (1954)] III-1-3
[lijfje] lijfje: betekenis: borstrok  lifkə (Mechelen-aan-de-Maas), betekenis: kledingstuk onder hemd  lifkə (Mechelen-aan-de-Maas) lijfje, in de betekenis van soort kledingstuk; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] III-1-3
aalmoes aalmoes: ən aalmoos (Mechelen-aan-de-Maas), ɛn aalmoos (Mechelen-aan-de-Maas) aalmoes [ZND 32 (1939)] III-3-1