e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=P198p plaats=Sint-Genesius-Rode

Overzicht

Gevonden: 8

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
grenssteen, grenspaal reensteen: rāi̯nstāi̯n (Sint-Genesius-Rode) De steen of paal die de grens tussen akkers aangeeft. Langs de grenzen van landerijen worden meest op de hoeken, maar ook op verschillende plaatsen elders dergelijke dikke stenen of palen geplaatst als grensmerkteken. [N 11, 9; JG 1b, 1c, 2c; L 35, 87; L 41, 24; monogr.] I-8
kwaken kwaken: kwākǝ (Sint-Genesius-Rode) Roepen, gezegd van de eenden. [L 37, 8b] I-12
leien dak schaliën dak: sxø̜jlǝn dak (Sint-Genesius-Rode) Met leien gedekt dak. Zie ook de lemmata 'Rijndak' en 'Maasdak'. [L 37, 26c; N 79, 5 add.] II-9
politieagent police (fr.): pōlis (Sint-Genesius-Rode) Hoe heet << een politieagent >> ? [ZND 40 (1942)] III-3-1
schaar scheer: sxēr (Sint-Genesius-Rode) Schaar, gereedschap van kleermaker en naaister. Een goede schaar is gemaakt van staal en ijzer. Het snijvlak van de schaar moet van staal vervaardigd zijn. Het bovenoog, waarin de duim rust, is kleiner en ronder dan het onderoog waarin de vingers rusten (Papenhuyzen III, pag. 9). In dit lemma zijn de vragen ø̄Hoe noemt u de schaar in het algemeen?ø̄ (N 59, 16a), ø̄Hoe noemt u de grote schaar?ø̄ (N 59, 16b), en ø̄Hoe noemt u de kleine schaar?ø̄ (N 59, 16c) samengevoegd. Binnen dit lemma zijn de antwoorden onderverdeeld in drie groepen die beantwoorden aan de driedelige vraagstelling. Zie afb. 8. [N 59, 16a; N 59, 16b; N 59, 16c; N 62, 54; L 45, 14; L A2, 317; Gi 1.IV, 22; MW; S 30; monogr.] II-7
trapleuning leuning: lø̄neŋ (Sint-Genesius-Rode), lø̄neŋk (Sint-Genesius-Rode) Geprofileerde lijst die bij het op- en afgaan van de trap als steun kan worden gebruikt. De trapleuning wordt boven de buitenboom tegen de muur aangebracht of boven de binnenboom op balusters bevestigd. [N 55, 136; Wi 13b; L 12, 6; L 37, 31; monogr.] II-9
voering, voeringstof voering: vojǝreŋk (Sint-Genesius-Rode) Stof waarmee kledingstukken van binnen bekleed worden. [N 62, 18a; N 62, 84; A 4, 27b; L 20, 27b; Gi 1.IV, 29; MW; S 41; monogr.] II-7
zich bemoeien met bemoeien: bemoje (Sint-Genesius-Rode), moeien: mooie (Sint-Genesius-Rode) ik kan me daarmee niet bemoeien [ZND 21 (1936)] III-3-1