e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=P176p plaats=Sint-Truiden

Overzicht

Gevonden: 6065

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
(geen) waarde (geen) waarde: gin waerde (Sint-Truiden) Hoe zegt men van iets dat geen waarde heeft? (dat is geen ... waard). [ZND 28 (1938)] III-3-1
(iets) zich niet aantrekken niet aantrekken: da moet djoeg nɛ aontrekke (Sint-Truiden), gie moeit oech da ni oantrekken (Sint-Truiden), trek h’t auch nie aan (Sint-Truiden) Ge moet u dat niet aantrekken [ZND 32 (1939)] III-1-4
(met) het hoofd stoten botsen: botse(n) (Sint-Truiden), bə sənə koͅp botsə (Sint-Truiden, ... ) Het hoofd stoten (botsen, knotsen). [N 109 (2001)] || stoten: het hoofd stoten (kinderwoord) [boetse, zijn eige boetse] [N 10 (1961)] || stoten: met het hoofd stoten [boetse, erges teege boetse] [N 10 (1961)] III-1-2
(met) stevige benen plotten: plotten (Sint-Truiden), poten: pūtə (Sint-Truiden) benen: met stevige benen [hij is gestapeleerd] [N 10 (1961)] || Stevige benen (stompels, gestapeleerd) [N 109 (2001)] III-1-1
(zich) bukken (zich) bukken: oech bukke(n) (Sint-Truiden), zex bykə (Sint-Truiden) Bukken, zich bukken ((zich) buigen) [N 109 (2001)] || bukken, zich bukken [bukke, bokke] [N 10 (1961)] III-1-2
-> [wld iii 2.2] - wld iii, 2.2 !: bavet (Sint-Truiden, ... ), doepklieke (Sint-Truiden), doepsaozeke (Sint-Truiden), naovelbèndje (Sint-Truiden), nə moͅtsduk (Sint-Truiden), nə pĕsduk (Sint-Truiden), nə voͅl (Sint-Truiden), nən duəpšal (Sint-Truiden), pisdoek (Sint-Truiden), raowmöts (Sint-Truiden), vaol (Sint-Truiden), zieverlap (Sint-Truiden), ə duəpklīkə (Sint-Truiden), ə duəpmutskə (Sint-Truiden), ən baveͅt (Sint-Truiden), ən noͅgəlvēs (Sint-Truiden), ən roͅuwmuts (Sint-Truiden) dekentje waaronder de dopeling naar de kerk wordt gedragen [N 25 (1964)] || doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || doopjurkje [deumhemke] [N 25 (1964)] || doopmutsje [N 25 (1964)] || luier [winjel, luur, kindsdoek, psidoek, huik] [N 25 (1964)] || muts met poffer, minder kostbaar of minder uitgedost dan de grote witte muts, die bij rouwgelegenheden wordt gedragen [rouwpoffer] [N 25 (1964)] || navelbandje [nagelbendje] [N 25 (1964)] || rouwsluiter(s) aan een hoed [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)] III-1-3
<naam> <naam>: naomfieëst (Sint-Truiden), zen noamfeest (Sint-Truiden, ... ), besteek: besteek (Sint-Truiden), zine besteek (Sint-Truiden, ... ), besteken: hem besteken (Sint-Truiden, ... ), feestdag: zijne fiestdag vierere (Sint-Truiden), feestdag vieren: zijne fiestdag vierere (Sint-Truiden), feesten: iemand fiesten (Sint-Truiden, ... ), verjaardag: zeune verjaardoog vieren (Sint-Truiden), verjaardag vieren: zeune verjaardoog vieren (Sint-Truiden) Een naamfeest, naamdag [vernamsdaag, nametsdaag]. [N 96C (1989)] || Hoe heet: het naamfeest van iemand vieren? [ZND 32 (1939)], [ZND 32 (1939)] || Viering met geschenken. III-3-2
[falie] neusdoek: ZND35,010b: [neen]  niuzīnk (Sint-Truiden), voile (fr.): vaol (Sint-Truiden), vōͅl (Sint-Truiden), ZND35,010b: Bij de vrouwen.  vool (Sint-Truiden), ZND35,010b: Bij iet wat stellende.  vool (Sint-Truiden), ZND35,010b: Bij vrouwelijke personen voor vader en moeder 1jaar + 6 weken, voor broeder of zuster 6 maanden.  vaol (Sint-Truiden) falie (zwarte doek die de vrouwen vroeger droegen, nu nog hier en daar in gebruik bij begrafenissen) [ZND 35 (1941)] || sluierdoek, zwarte ~ die over hoofd en schouders wordt gedragen, gewoonlijk in de rouwtijd [vaol, voeël, falje, falie, slöjer, linao] [N 23 (1964)] III-1-3
[kazak] kazak: kort jasje of overgooier  ka.za.k (Sint-Truiden) kazak; inventarisatie betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] III-1-3
[kazavek?] kazavek: [E kot jaske of bloeske]  kazevek (Sint-Truiden), bloes die vooraan dichtgeknoopt werd  ka.zəve͂ͅk (Sint-Truiden) kasjevék, in de betekenis van vrouwenmantel; betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] || Kent u het woord kazevek, kazaver, kazawik voor een bepaald kledingstuk? Geef de juiste uitspraak op [ZND 48 (1954)] III-1-3