e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
guit, schalk aap: oap (Rosmeer), bengel: bengel (Neerpelt, ... ), bĕngel (Rosmeer), bɛ̄ŋəl (Stokkem), clown: cloon (Achel), deugniet: deugeneet (Maaseik), deugeniet (Boorsem, ... ), deugnie (Genoelselderen), deugniet (Heers, ... ), dēͅgniēt (Opglabbeek), djeugeniet (Rijkhoven), dø͂ͅggeneet (Lanaken), duivelskruid: dīvelskraud (Beverst), duiveltje: dievelke (Mopertingen), fareur (fr.): faisø̄r (Herk-de-Stad), farceur (Beverst), farçeur (Zichen-Zussen-Bolder), fasseur (Riksingen), cf. VD s.v. "guit"2. "schalk, iemand die guitenstreken uithaalt, grappenmaker  farceur (Mal), gamin: gamĕ (Hechtel), gek: jek (Henri-Chapelle), gek mannetje: gekmenneke (Mal), grappenmaker: grappemaker (Eisden, ... ), grappemeiker (Vlijtingen), grappemeker (Rekem, ... ), grappemekker (Mal), grappemēͅkər (Zichen-Zussen-Bolder), grappemĕker (Veldwezelt), grappemōͅker (Zichen-Zussen-Bolder), grappemèker (Kanne), grappemêeker (Rosmeer), grappenmakertje: grapəmēͅkərkə (Rekem), grappig ventje: grappig venteke (Zutendaal), grimassenmaker: grimasəmøkər (Mettekoven), guit: geuīt (Beverst), guiet (Wellen), guit (Hasselt, ... ), guut (Kessenich), gøjt (Genoelselderen), gø͂ͅt (Borgloon, ... ), ook materiaal znd 24, 35  gaait (s-Herenelderen), gejt (Kermt), giet (As), goet (Zonhoven), gōēt (Beringen), gōt (Sint-Truiden), gōət (Tessenderlo), guit (Kwaadmechelen), guits: gy(3)̄ts (Mechelen-aan-de-Maas), kapoen: kapoen (Diepenbeek, ... ), kapoeu̯n (Wellen), kapun (Lanaken), kapūn (Neeroeteren), ook materiaal znd 24, 35  kapoon (Maaseik), klein jong: klein jeunk (s-Herenelderen), kleine brak: klēnbrak (Martenslinde), knaai: knaai (Zichen-Zussen-Bolder), kunstenmaker: kunstemeker (Rekem), kwajongen: kooijongen (Hoeselt), kwakkert: kwakkert (Meeswijk), kwast: kwas (Rosmeer, ... ), ook materiaal znd 24, 35  kwas (Bilzen, ... ), kwibus: kwibus (Loksbergen), lollige tip: ook materiaal znd 24, 35  lolligen tip (Neeroeteren), niksnutter: niksneutter (Hoeselt), ondeugd: ondeeeg (Meeswijk), ondègd (Zutendaal), onkruid: onkraut (Peer), onnutterik: onnetterik (Neeroeteren), pagadder: begadder (Hechtel), paljas: paljas (Achel), plezierig ding: plezerig ding (Vliermaalroot), plezierige, een -: ’ne plezīērige (Rosmeer), pleziermaker: pliermaker (Zolder), poetsenbakker: putsëbakkeͅr (Oostham), rabbi: rabbi (Neeroeteren), rakker: rakker (Maaseik, ... ), ook materiaal znd 24, 35  rakker (Bocholt), rare chinees: ook materiaal znd 24, 35  rārə šinēs (Maastricht), rat: rat (Peer, ... ), rekeltje: rèkəlkə (Molenbeersel), robespierre: roebespier (Vreren), ros: ros (Zichen-Zussen-Bolder), rotzak: rotsak (Gelieren/Bret), rotzakje: rotsekske (Gelieren/Bret), schavuitje: schavytje (Hamont), schooi: choïj (Vreren), ook materiaal znd 24, 35  sxōj (Hoepertingen, ... ), schurk: mar.: schalk?; cf. VD s.v. "guit"2. "schalk, iemand die guitenstreken uithaalt, grappenmaker  schork (Valkenburg), slimmerik: slimmerik (Opoeteren), sloeber: sloeber (Werm), snaak: snaak (Boorsem, ... ), snāk (Mechelen-aan-de-Maas), snāək (Maaseik), snōĕk (Zutendaal), snōͅk (Lanaken, ... ), ook materiaal znd 24, 35  snaak (Lanklaar), snāk (Rekem), snōͅk (Aalst-bij-St.-Truiden), snaakje: snēͅkskə (Rekem), snotneus: snotneus (Loksbergen), snotter: snotter (Koersel, ... ), strop: strep (Bilzen), strop (Gruitrode, ... ), stroͅp (Gelieren/Bret, ... ), strŭp (Vroenhoven), strëp (Rosmeer), ströp (Mheer), strø͂ͅp (Lanaken, ... ), ook materiaal znd 24, 35  strop (Wellen), ströp (Lanklaar), vieze man: vies man (Heers, ... ), vlegel: vlegel (Hechtel, ... ), vliegel (Grote-Brogel, ... ), vliəgəl (Neerglabbeek), vlīegəl (Opglabbeek), ook materiaal znd 24, 35  vlegel (Maaseik), vlugge, een -: vleŭg (Stevoort), vløk (Borgloon, ... ), vløͅg (Bocholt), zot: zot (Achel) grappenmaker, guit || guit (grappenmaker) [ZND 01 (1922)], [ZND 24 (1937)] III-1-4