e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

Gevonden: 1

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zwaluwtong boekweit: WLD  bookent (Swalmen), boekweitswinde: boqǝswenj (Helden), boekweitwinde: WLD  bokeswinj (Heythuysen), WLD vroeger een veel voorkomend onkruid op zandgrond  bugəswenj (Meijel), zie WLD.I,4, p.15  boggeswinj (Helden/Everlo), draai: WBD  drej (Sevenum), WLD; Heukels 73  drei-j (Sevenum), hagenrank: (bij afbeelding 55)  haagerank (Vijlen), wikke: eigen spelling  wikke (Vlodrop), wilde boekweit: weljǝ bǫkǝt (Posterholt), welǝ bogǝt (Genk), welǝ bugǝt (Opglabbeek), wilde boekend (Oirlo), wildje bokkentj (Tungelroy), wilje bookendj (Swalmen), wille bookwèt (Schimmert), -  wilje bòkket (Posterholt), Bree Wb.  wildzje bògkendsj (Bree), eigen spellinsysteem hoekig zaad / lastig onkruid  wilde boekend (Meijel), idiosyncr.  wilde boekend (Sittard), wilje bookendj (Thorn), sic. HB. MOET VAST BOGET ZIJN.  wille boget (Genk), WLD  wilde bookenjd (Ophoven), wilde-boekend (Schimmert), wilje bookendj (Montfort), wille bòòket (Mheer), wilde bonen: wilde-bonen (Jeuk), WLD  wilboeëne (Beesel), wilde bonenranken: wilde-boonranken (Jeuk), wilde boontjes: WLD  wildeboontjes (Stein), winde: węi̯nj (Maaseik), -  weinj (Maaseik), winj (Montfort), zaadwinde: -  ɛsotɛweing (Diepenbeek), zwalbentong: (bij afbeelding 55)  sjwelbe tong (Vijlen), zwalbertong: sjwĕlber tong (Vijlen), zwaluwtong: geen aparte naam  zwaluwtong (Berg-en-Terblijt), zelfde  zwaluwtong (Echt/Gebroek), zwalventong: -  zwelvetong (Tungelroy) Polygonum convolvulus L. Een zeer algemeen voorkomende slingerplant op bouwland en in wegbermen met groenachtig witte bloempjes in trosjes, die bloeien van juli tot de herfst, en met een meer dan één meter lange dunne windende stengel met pijlvormige bladeren zoals de haag- en akkerwinde. || zwaluwtong [DC 17 (1949)], [DC 60a (1985)] || Zwaluwtong (polygonum convolvulus). Tot meer dan 1 m lange klimplant; de stengels zijn windend, dun en ruw; de bladeren zijn pijlvormig en driehoekig; de bloemen groeien in trosjes in de bladoksels, het bloemdek is driekantig met een smalgevleugelde slip; [N 92 (1982)] I-5, III-4-3