e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q002p plaats=Hasselt

Overzicht

Gevonden: 5332

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
(iets) zich niet aantrekken niet aantrekken: djieə mut oech da nèt aontrèkke (Hasselt), gieë mut oech da ni antrèkke (Hasselt) Ge moet u dat niet aantrekken [ZND 32 (1939)] III-1-4
(met) het hoofd stoten botsen: botsə (Hasselt), ɛrəgəs te:gə botsə (Hasselt), houwen: B.v. ich sal oech be owere kop tege de mower -.  (h)øn (Hasselt), knotsen: knoͅtsə (Hasselt), toekebol doeën/knotse be zene kop (Hasselt), knotsenbolletje (zn.): knoͅtsəboͅləkə (Hasselt), slaan: B.v. ich sal oech be owere kop tege de mower -.  slōͅn (Hasselt), tokken: toeken (Hasselt), tukə (Hasselt), tokkenbol (zn.): toekebol (Hasselt), tokkenbolletje (zn.): tukəboͅləkə (Hasselt) stoten: het hoofd stoten (kinderwoord) [boetse, zijn eige boetse] [N 10 (1961)] || stoten: met het hoofd stoten [boetse, erges teege boetse] [N 10 (1961)] III-1-2
(met) stevige benen goed van poten: goed van poten (Hasselt), stalpoten: diən et stalpouətə (Hasselt), strabant gaan: diə gī strabant (Hasselt) benen: met stevige benen [hij is gestapeleerd] [N 10 (1961)] III-1-1
(zich) bukken (zich) bukken: bukə (Hasselt) bukken, zich bukken [bukke, bokke] [N 10 (1961)] III-1-2
-> [wld iii 2.2] - wld iii, 2.2 !: (kag)duwk (Hasselt), bavet (Hasselt), baveͅt (Hasselt), baveͅtšə (Hasselt), dupklit`šə (Hasselt), dupklitšə (Hasselt), dupmantəl (Hasselt), dupmeͅtšə (Hasselt), dupmøts (Hasselt), dupsārə (Hasselt), dupšal (Hasselt, ... ), dūpklīt (Hasselt), dūpmøtskə (Hasselt), dūpsāRə (Hasselt), nagəlbeͅntšə (Hasselt), nagəlveəskə (Hasselt), nāgəlbentšə (Hasselt), pesdoͅwk (Hasselt), pezduk (Hasselt), sleͅtšə (Hasselt), vīəskə (Hasselt), vōͅl (Hasselt), vwal (Hasselt, ... ), zīvəRlepkə (Hasselt) dekentje waaronder de dopeling naar de kerk wordt gedragen [N 25 (1964)] || doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || doopjurkje [deumhemke] [N 25 (1964)] || doopmutsje [N 25 (1964)] || luier [winjel, luur, kindsdoek, psidoek, huik] [N 25 (1964)] || navelbandje [nagelbendje] [N 25 (1964)] || rouwsluiter(s) aan een hoed [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)] III-1-3
<naam> <naam>: naamfeist vieren (Hasselt, ... ), feest: ze fiest viejsr (Hasselt), feest vieren: ze fiest viejsr (Hasselt), feestdag: fiesdach viərə (Hasselt), iəmənt zins fiesdāch (Hasselt), zene fiesdaag viere (Hasselt), zēne fiesdaag viere (Hasselt), zjmand z⁄ne fiesdaag vijerə (Hasselt), feestdag vieren: fiesdach viərə (Hasselt), iəmənt zins fiesdāch (Hasselt), zene fiesdaag viere (Hasselt), zēne fiesdaag viere (Hasselt), zjmand z⁄ne fiesdaag vijert (Hasselt), mei: Vero. (Oorspr. alleen die feestdagen die in mei vielen.)  mee. (Hasselt), verjaardag: verjaordach viərə (Hasselt), verjaardag vieren: verjaordach viərə (Hasselt) Hoe heet: het naamfeest van iemand vieren? [ZND 32 (1939)], [ZND 32 (1939)] || Iemand besteken (ter gelegenheid van zijn naamfeest). [ZND 33 (1940)] || Mei: 3. Naamfeest of verjaardag. III-3-2
[falie] voile (fr.): voil (Hasselt), voile (Hasselt), vwal (Hasselt, ... ), ZND35,010b: [neen]  vól (Hasselt), ZND35,010b: Meer bij de boerenbevolking rond de stad.  vool (Hasselt), ZND35,010b: Meestal overal bij begrafenis.  voile (Hasselt) falie (zwarte doek die de vrouwen vroeger droegen, nu nog hier en daar in gebruik bij begrafenissen) [ZND 35 (1941)] || sluierdoek, zwarte ~ die over hoofd en schouders wordt gedragen, gewoonlijk in de rouwtijd [vaol, voeël, falje, falie, slöjer, linao] [N 23 (1964)] III-1-3
[foulard] foulard (fr.): foeláár (Hasselt), Plat + vero.  faláár (Hasselt) foulard (Fr.) III-1-3
[kazak] kazak: Fr. tourner casaque (&lt; Sp. casaca of It. casacca).  kazák (Hasselt) kazak III-1-3
[kazavek?] casaquin (fr.): Gestrikte bloes van een meisje met lange mouwern gedragen als het koud is.  kazekūīn (Hasselt), kazavek: kažəvɛk (Hasselt), Gekend door de ouders van de informant. Bloes in stof waaronder een rok gemaakt werd en gedragen werd.  kazevèk (Hasselt), soort tricot bloes mer knoopjes van voren  kasəvek (Hasselt), stel: Vrouwenblouse.  (stèl) (Hasselt) kasjevék, in de betekenis van vrouwenmantel; betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] || Kent u het woord kazevek, kazaver, kazawik voor een bepaald kledingstuk? Geef de juiste uitspraak op [ZND 48 (1954)] III-1-3