e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=L368p plaats=Neeroeteren

Overzicht

Gevonden: 3932

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
(iets) zich niet aantrekken niet aantrekken: dig moost dij det neet aantrekken (Neeroeteren), niks van aantrekken: trək tich doa niks van aan (Neeroeteren) Ge moet u dat niet aantrekken [ZND 32 (1939)] III-1-4
(met) het hoofd stoten botsen: mətə kob butsə (Neeroeteren), knotsen: də kop knutsə (Neeroeteren) stoten: het hoofd stoten (kinderwoord) [boetse, zijn eige boetse] [N 10 (1961)] || stoten: met het hoofd stoten [boetse, erges teege boetse] [N 10 (1961)] III-1-2
(met) stevige benen gestapeld: gəsta:pəltj (Neeroeteren) benen: met stevige benen [hij is gestapeleerd] [N 10 (1961)] III-1-1
(persoon met) bleek, flets gezicht bleekschijter: bleiksjieter (Neeroeteren), ziekelijk gezicht: zekelik gezicht (Neeroeteren) bleek (hij ziet er bleek uit) [N 37 (1971)] || hij heeft een flets gezicht (bleekgeel, ziekelijk) [ZND 23 (1937)] III-1-2
(zich) bukken (zich) bukken: zig bukə (Neeroeteren) bukken, zich bukken [bukke, bokke] [N 10 (1961)] III-1-2
-> [wld iii 2.2] - wld iii, 2.2 !: daupdijkske (Neeroeteren), daupkleitje (Neeroeteren), daupmetske (Neeroeteren), dook (Neeroeteren), dèkskə (Neeroeteren), məts (Neeroeteren), navelbentje (Neeroeteren), sluier (Neeroeteren), zeiverlepke (Neeroeteren) dekentje waaronder de dopeling naar de kerk wordt gedragen [N 25 (1964)] || doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || doopjurkje [deumhemke] [N 25 (1964)] || doopmutsje [N 25 (1964)] || luier [winjel, luur, kindsdoek, psidoek, huik] [N 25 (1964)] || muts met poffer, minder kostbaar of minder uitgedost dan de grote witte muts, die bij rouwgelegenheden wordt gedragen [rouwpoffer] [N 25 (1964)] || navelbandje [nagelbendje] [N 25 (1964)] || rouwsluiter(s) aan een hoed [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)] III-1-3
<naam> <naam>: naamfeest veeren (Neeroeteren, ... ), naamfiest veeren (Neeroeteren, ... ), zienen naamdaag veeren (Neeroeteren, ... ), patroon: ziene patroen (Neeroeteren, ... ) Hoe heet: het naamfeest van iemand vieren? [ZND 32 (1939)], [ZND 32 (1939)] || Iemand besteken (ter gelegenheid van zijn naamfeest). [ZND 33 (1940)] III-3-2
[falie] falie: ZND35,010b: Bij oude gewone volkschmenschen.  falie (Neeroeteren), ZND35,010b: Dit gebruik bestaat nog bij de oude boerenvrouwen, doch het gaat langzaam weg.  falie (Neeroeteren), kapmantel: kapmantel (Neeroeteren), sluier: sløyər-sløyərs-sløyərkə (Neeroeteren), voile (fr.): vwāl-vwāls-vwālkə (Neeroeteren), ZND35,010b: Door de familieleden van den afgestorvene: moeder, dochter, zuster, kleindochter.  val (Neeroeteren) falie [ZND 01 (1922)] || falie (zwarte doek die de vrouwen vroeger droegen, nu nog hier en daar in gebruik bij begrafenissen) [ZND 35 (1941)] || sluierdoek, zwarte ~ die over hoofd en schouders wordt gedragen, gewoonlijk in de rouwtijd [vaol, voeël, falje, falie, slöjer, linao] [N 23 (1964)] III-1-3
[lijfje] lijfje: betekenis: kledingstuk onder `t hemd gedragen  lifkə (Neeroeteren) lijfje, in de betekenis van soort kledingstuk; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] III-1-3
aaks aaks: hākš (Neeroeteren), āks (Neeroeteren), bijl: bīl (Neeroeteren) Zware bijl met lange steel die wordt gebruikt om bomen te vellen. [N 50, 10b; N 75, 114d; L 32, 46; monogr.] II-12