e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Tessenderlo

Overzicht

Gevonden: 5328

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
(iets) zich niet aantrekken niet aantrekken: ge mût ef da nie uuntrekken (Tessenderlo), niks mee inzitten: ge mot er niks mee in zitten (Tessenderlo) Ge moet u dat niet aantrekken [ZND 32 (1939)] III-1-4
(met) het hoofd stoten botsen: botsə (Tessenderlo), stoten: stuuətə (Tessenderlo), stuwətə (Tessenderlo), tutsen: tøtsə (Tessenderlo), tutsenbollen: tøtsəboͅlə (Tessenderlo) stoten: het hoofd stoten (kinderwoord) [boetse, zijn eige boetse] [N 10 (1961)] || stoten: met het hoofd stoten [boetse, erges teege boetse] [N 10 (1961)] III-1-2
(met) stevige benen gestapeleerd: gəstapəleͅiərt (Tessenderlo) benen: met stevige benen [hij is gestapeleerd] [N 10 (1961)] III-1-1
(zich) bukken (zich) bukken: bø`ə (Tessenderlo), zijn eigen bukken: zən āgə bøkə (Tessenderlo) bukken, zich bukken [bukke, bokke] [N 10 (1961)] III-1-2
-> [wld iii 2.2] - wld iii, 2.2 !: baŋtšə (Tessenderlo), fali (Tessenderlo), kapkə (Tessenderlo), nøzduk (Tessenderlo), pisfoͅt (Tessenderlo), spraikə (Tessenderlo), vuəjl (Tessenderlo), ziəvərlapkə (Tessenderlo), Kerstkleedje.  kesliəjkə (Tessenderlo) dekentje waaronder de dopeling naar de kerk wordt gedragen [N 25 (1964)] || doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || doopjurkje [deumhemke] [N 25 (1964)] || doopmutsje [N 25 (1964)] || luier [winjel, luur, kindsdoek, psidoek, huik] [N 25 (1964)] || muts met poffer, minder kostbaar of minder uitgedost dan de grote witte muts, die bij rouwgelegenheden wordt gedragen [rouwpoffer] [N 25 (1964)] || navelbandje [nagelbendje] [N 25 (1964)] || rouwsluiter(s) aan een hoed [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)] III-1-3
<naam> <naam>: den naom vieren (Tessenderlo, ... ), besteken: iemand besteken (Tessenderlo, ... ), verjaardag: verjaardag vieren (Tessenderlo), verjaardag vieren: verjaardag vieren (Tessenderlo) Hoe heet: het naamfeest van iemand vieren? [ZND 32 (1939)], [ZND 32 (1939)] III-3-2
[falie] falie: fali (Tessenderlo), voile (fr.): vool (Tessenderlo), ZND35,010b: Bij de vrouwen in het algemeen.  voewel (Tessenderlo) falie [ZND 01 (1922)] || falie (zwarte doek die de vrouwen vroeger droegen, nu nog hier en daar in gebruik bij begrafenissen) [ZND 35 (1941)] || sluierdoek, zwarte ~ die over hoofd en schouders wordt gedragen, gewoonlijk in de rouwtijd [vaol, voeël, falje, falie, slöjer, linao] [N 23 (1964)] III-1-3
[kazavek?] kazavekje: een golfje zonder mouwen  kažəvekskə (Tessenderlo) kasjevék, in de betekenis van vrouwenmantel; betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] III-1-3
[lijfje] lijfje: Onderlijfje.  leͅfkə (Tessenderlo) lijfje, in de betekenis van soort kledingstuk; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] III-1-3
aaks bijl: bijl (Tessenderlo), zware bijl: zware bijl (Tessenderlo) Zware bijl met lange steel die wordt gebruikt om bomen te vellen. [N 50, 10b; N 75, 114d; L 32, 46; monogr.] II-12