e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Diergaarde

Overzicht

Gevonden: 8

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
broekland, moeras moeras: moeras (Diergaarde) moeras [DC 02 (1932)] III-4-4
druilerig en koud weer nat (weer): naat (Diergaarde) nat [DC 02 (1932)] III-4-4
honingdrank mede: mēj (Diergaarde) Na de verwijdering van de honing uit de raten houdt men ruwe was over die gezuiverd wordt met water. De gegiste honing- en wateroplossing wordt dan mee of mede, honingdrank genoemd. [N 63, 120a; R 3, 45; Ge 37, 148; JG 2b-5, add.; monogr.] II-6
hooi harken kemmen: kø̜mǝ (Diergaarde) Het werken met de houten hooihark, zwelen. Zie ook de lemma''s over het bijeenwerken van de rijen en de huikelingen in de volgende paragraaf. Het object van de werkwoorden is steeds "het gemaaide gras", "hooi . Voor de fonetische documentatie van het woordtype hooien zie het lemma ''hooien''. [JG 1a, 1b; A 28, 1d; Lu 6, 1d] I-3
karrenspoor karrenspoor: karǝšpōr (Diergaarde) Een niet-verharde weg met geulen die zijn ontstaan door het uitschuren van karwielen. [A 21, 2a; A 21, 2b; N 18, 40; monogr.] I-8
oever kant: kantj (Diergaarde) oever [DC 02 (1932)] III-4-4
opper huist: hušt (Diergaarde) De grootste soort hooihoop in het veld. [N 14, 112 en 111 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 10, 20; A 16, 3b; A 42, 20b; L 38, 38b; monogr.] I-3
zwavelx solfer: solfer (Diergaarde) zwavel [DC 02 (1932)] III-4-4