e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Diepenbeek

Overzicht

Gevonden: 5709
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
angel angel: a.ŋǝl (Diepenbeek), aŋǝl (Diepenbeek) Het verdedigingsmiddel van de bij dat zich aan het achterlijf bevindt. Het is een scherp, hol spiesje, van weerhaakjes voorzien en verbonden met een gifblaasje. Hiermee steken moer en werkbij. De dar mist dit wapen. [N 63, 73a; L 32, 26; JG 1a+1b; monogr.] II-6
angel van bij of wesp angel: angel (Diepenbeek, ... ) angel [Willems (1885)] || angel, van bij of wesp [ZND 32 (1939)] III-4-2
angelusklok bedeklok: beiëklok (Diepenbeek), də biēklok trekt (Diepenbeek) De angelusklok luidt. [ZND 32 (1939)] || De kleine klok waarmee het angelus wordt/werd geluid. [N 96A (1989)] III-3-3
angst schrik: häet meͅr gänə šrek (Diepenbeek) (Niet bang zijn), duw maar. [ZND 23 (1937)] III-1-4
anjelier kernoffel: kernoefel (Diepenbeek), ook ZND 1 (a-m) en ZND 1u, 007  kernuffel (Diepenbeek) Anjelier, Fr. oeillet, Lat. Dianthus [ZND 15 (1930)] I-7
anker anker: aŋkǝr (Diepenbeek) Stuk ijzer dat wordt gebruikt om muren, vloeren, gordingen etc. met elkaar te verbinden. Het is gewoonlijk samengesteld uit een schieter en een veer. De schieter vormt het metalen onderdeel aan de buitenzijde van de muur en bestaat uit een metalen staaf die in het midden een nok heeft. De veer brengt de verbinding tussen schieter en muur of vloer tot stand. Schieter en veer kunnen met behulp van één of meer spieën aan elkaar worden bevestigd. Zie ook afb. 72. De woordtypen 'strijkanker', 'trekanker' en 'strekanker' worden specifiek gebruikt voor een anker waarvan de veer in de dwarsrichting over twee of drie balken ligt. Het dient om muren te verankeren die evenwijdig lopen met de balklaag. [N 31, 38; N 4A, 51b; N 54, 123b; N 54, 124a; N 54, 126; monogr.] II-9
appel, algemeen appel: appel (Diepenbeek, ... ), apəl (Diepenbeek, ... ) [ZND 01 (1922)] [ZND 26 (1937)] I-7
appel, overige soorten grijsje: grèske (Diepenbeek), gronsel: zachte appel die met handschoenen moet worden geplukt  gronsel (Diepenbeek), ijzerappel: èèzerappel (Diepenbeek), jacques lebel (fr.): Jaak lebel (Diepenbeek), keulemannetje: keulemenneke (Diepenbeek), klompje: klumpke (Diepenbeek), oogstappel: osappel (Diepenbeek), pondappel: pondappel (Diepenbeek), snelappel: snelappel (Diepenbeek), sterappeltje: stêreppelke (Diepenbeek) I-7
appelbol trol: trol (Diepenbeek), trōͅl (Diepenbeek), troͅl (Diepenbeek) appel in deeg gedraaid en in de oven gebakken [ZND 32 (1939)] III-2-3
appelmoes appelmoes: appelmus (Diepenbeek), frats: frats (Diepenbeek, ... ) appelmoes [ZND 32 (1939)] III-2-3