e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Gronsveld

Overzicht

Gevonden: 4947

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
achtergebleven hooi harken bijeenreken: bięi̯nrē̜kǝ (Gronsveld) Wanneer het hooi is binnengehaald werd soms nog eens het hooiland afgeharkt om het achtergebleven hooi te verzamelen. [N14, 122; A 34, 4 add.] I-3
achterhaam achterhaam: ātǝrhǭm (Gronsveld) Samenstel van riemen dat op het achterwerk van het paard wordt gelegd en dient om de kar achteruit te stoten. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 74; monogr.] I-10
achterhoofd achterkop: den aaterkop (Gronsveld) achterhoofd [N 10 (1961)] III-1-1
achterklauw achterklauw: ātǝrklaw (Gronsveld) Achterste deel van de hoef. [N 3A, 119c] I-11
achterknie hak: hak (Gronsveld) Uitstekend achterpootsgewricht van het paard. Een gedeelte van de termen duidt niet de uit- maar de insprong of knieholte aan. Zie afbeelding 2.40. [JG 1a, 1b, 2c; N 8, 32.1, 32.5, 32.9, 32.10, 32.11 en 32.12] I-9
achternaafband ring: rēŋk (Gronsveld) De ijzeren band om het achtereinde van de naaf, aan de kant van de wagen. De achternaafband is doorgaans smaller dan de muilband. Zie ook afb. 214. [N G, 43d; N 17, 60b; Vld.] II-11
achterschijf schenkel: šēŋkǝl (Gronsveld) Ronde, met het wiel meedraaiende schijf tussen de naaf en de stootring van het asblok. De achterschijf verhindert dat er tijdens het rijden vet of smeer verloren gaat en vuil de naafbus kan binnendringen. Woordtypen met als tweede lid het woord -ring komen ook voor in het lemma ɛstootringɛ (WLD I.13).' [N G, 50a; N 17, 56; JG 1b, add.] II-11
achterste achterwerk: aaterwerrek (Gronsveld), kont: koont (Gronsveld) [N 10c (1961)] III-1-1
achteruit achteruit: aachteroét (Gronsveld) Open plaats achter een huis (dam, werft, bleek, achteruit, plaats) [N 79 (1979)] III-2-1
achteruitgaan achteruitgaan: aachteroet goen (Gronsveld), schuiven: neet sjûive (Gronsveld), van teruggaan: van truk goen (Gronsveld), wijken: wieke (Gronsveld) Achteruitgaan (wijken, deinzen). [N 84 (1981)] III-1-2