| 18700 |
manchetknoop |
manchetknop:
məšeͅtknyp (L282p Achel)
|
manchetknoopjes [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 26825 |
mand |
mand:
mān (L282p Achel)
|
De algemene benaming voor een uit wissen gevlochten mand. Zie ook afb. 284. Uit het materiaal blijkt dat er niet altijd een onderscheid wordt gemaakt tussen de woorden mand en korf. Als dat wel wordt gedaan, duidt men met het eerste woord eerder een mand met oren aan, terwijl men het tweede gebruikt voor een mand met een hengsel (vgl. Janssens, pag. 24 e.v.). Zie ook het lemma ɛkorfɛ.' [N 20, 48; N 40, 37; L 1 a-m; S 23; monogr.]
II-12
|
| 33768 |
manen |
manen:
mǫǝnǝn (L282p Achel),
mǭ.nǝn (L282p Achel)
|
Het lange nekhaar bij een paard. Paarden worden vaak onderscheiden naar de kleur van de manen (zie paragraaf 4.1). Zie afbeelding 2.13. [JG 1a, 1b; N 8, 21]
I-9
|
| 33914 |
manenschurft |
fitsel:
fetsǝl (L282p Achel)
|
Steeds terugkerende verzwering of verettering, in de maanstapel en in de oren, te wijten aan een te warme, bedompte stal en onvoldoende huidverzorging. Door schuren en wrijven onststaan kale of bloedige verdikkingen waarop korsten komen. [N 8, 90t]
I-9
|
| 33769 |
manenstrang |
kam:
kamp (L282p Achel),
manenstrang:
mǭǝnǝstrāŋk (L282p Achel)
|
Gewelfde bovenkant van een paardenek waar de manen ingeplant zijn. Zie afbeelding 2.14. [N 8, 21 en 25]
I-9
|
| 18148 |
manken |
hinken:
hinken (L282p Achel),
manken:
manken (L282p Achel)
|
Gebrekkig lopen door bijv. ongelijke lengte van de benen (hompe(le)n, manken, lammen, mank lopen). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 17713 |
mannelijk geslachtsorgaan |
ding:
ow dink (L282p Achel),
geval:
ow geval (L282p Achel)
|
mannelijke geslachtsorgaan [gemach, gemaacht] [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 34449 |
mannelijk jong van de geit |
bokje:
bøkskǝ (L282p Achel)
|
[N 19, 71b; N 19, 71a; N 77, 76; A 9, 21]
I-12
|
| 34051 |
mannelijk kalf |
looikalf:
lōi̯[kalf] (L282p Achel),
stierkalf:
stīr[kalf] (L282p Achel)
|
[N 3A, 15; N C, 7a; JG 1a, 1b; A 9, 17a; Gwn V, 5a; monogr.]
I-11
|
| 34052 |
mannelijk kalf dat van tanden begint te wisselen |
rund:
rønt (L282p Achel),
tweejaarling:
twiǝjē̜rleŋ (L282p Achel)
|
Algemeen kan men zeggen dat het hier gaat om een kalf van ongeveer één jaar oud. [N 3A, 16; add. uit N 3A, 15]
I-11
|