e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Baelen

Overzicht

Gevonden: 421
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
rups rups: roĕpsh (Baelen) rups [Willems (1885)] III-4-2
saus saus: saos (Baelen) saus [RND] III-2-3
schaap schaap: šoǝp (Baelen) Bedoeld wordt het schaap in het algemeen, niet geslachtelijk onderscheiden. Zie afbeelding 4. [JG 1a, 1b, 2c; L 45, 21; L 38, 40; L 6, 25; S 30; A 14, 21; A 2, 1; G V, m3; Gwn 5, 13 add.; monogr.] I-12
schaduw, lommer scheem: sjéém (Baelen) schaduw (lommer) [RND] III-4-4
schafttijd cafstijd: kafesti:t (Baelen) schafttijd [RND] III-3-1
schilder maalder: miǝldǝr (Baelen) Iemand die van schilderen zijn beroep maakt. Bij het 'technisch schilderen', het bedekken van oppervlakten met verf ter conservering en kleurgeving, onderscheidt men de huis-, decoratie- en rijtuigschilder. In L 210 plaatste de huisschilder bij de bouw van een nieuw huis ook de ruiten. [Wi 51; L 44, 21b; N 67, 98a; monogr.] II-9
schilderij beeld: Karte 38.  Bild (Baelen), schild: Karte 38.  schild/Schild m. (Baelen), schilderij: schelderêj (Baelen) Gemälde. || Schilderij. [Willems (1885)] III-3-2
schip schip: šef (Baelen) schip [RND] III-3-1
schipper schipper: šefər (Baelen) schipper [RND] III-3-1
schoenmaker schoemaker: šǫmę̄kǝr (Baelen) In dit lemma zijn zowel de benamingen verwerkt voor "de persoon die schoeisel vervaardigt" als voor "de persoon die schoeisel repareert". [N 60, 216a; N 60, 231a; Wi 2; N 60, 75; monogr.] II-10