| 22019 |
keuring |
tentoonstelling:
təntoeənsjtèlling (L300p Beesel)
|
Hoe noemt men een competitieve keuring van duiven, waaraan prijzen verbonden zijn? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 22020 |
keurmeester |
keurmeester:
keurmeistər (L300p Beesel)
|
Hoe heet de man die daar de duiven keurt? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 18894 |
keus |
keus:
keus (L300p Beesel)
|
het kiezen, de mogelijkheid om te kiezen [keus, keur] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 24334 |
kever, tor |
kever:
kèver (L300p Beesel),
kêver (L300p Beesel)
|
kever [SGV (1914)] || kever, tor [DC 30 (1958)]
III-4-2
|
| 21461 |
kibbelen |
strevelen:
strevele (L300p Beesel)
|
kibbelen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 18208 |
kiel |
kiel:
keel (L300p Beesel, ...
L300p Beesel)
|
hes (kiel) [SGV (1914)] || kiel [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 24513 |
kiem |
keen:
WBD / WLD
keen‧ (L300p Beesel),
scheut:
scheut (L300p Beesel)
|
De in het rijpe zaad ingesloten aanleg tot een nieuwe plant (kiem, scheut). [N 82 (1981)] || scheut [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 24496 |
kiemen |
kenen:
WBD / WLD
kē‧nə (L300p Beesel),
opgroeien:
WBD / WLD
opgreujə (L300p Beesel),
opgruijə (L300p Beesel)
|
Uit de kiem opgroeien, gezegd van planten (uitbotten, kesemen). [N 82 (1981)] || Uitkomen, gezegd van zaden (kesemen, kersten, kenen). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33163 |
kiemen, schieten, botten van pootaardappelen |
kienen:
kēnǝ (L300p Beesel)
|
J. Goossens heeft in zijn enquêtes twee begrippen afgevraagd: "kiemen" (algemeen van een zaadje) en "botten" (gezegd van een pootaardappel, wanneer deze in de kiembak ligt); afgezien van een klein fonetisch detail zijn er géén afwijkingen tussen beide lijsten van antwoorden, behoudens in P 187, waar "botten" jongen (wellicht schertsend?) is; in Q 3, 5, 9 en 187a waar voor de aardappel botten wordt gegeven (wellicht invloed van de cultuurtaal) en in Q 156 waar voor de aardappels ze zijn gehikt werd opgegeven. De opgaven van beide lijsten zijn derhalve in dit lemma samengenomen. Kienen moet begrepen worden als een contaminatie van kiemen (voor de klinker) en kijnen (voor de slotmedeklinker). Zie ook de toelichting bij het voorgaande lemma Scheut. [N M, 16b; JG 1a, 1b, 2c; monogr.; add. uit S 17]
I-5
|
| 22399 |
kien! |
kien:
kin (L300p Beesel)
|
Wat roept de speler als hij een rijtje bezet heeft? [katern, hammeke, kien]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|