| 28768 |
katoen |
katoen:
kǝtūn (L269p Blerick)
|
Uit katoendraden geweven stof. Leverancier van de katoendraad is een kruid-, struik- of boomachtige plant ø̄voor het grootste deel verbouwd in Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Egypte (macco of mako), Oost-Indië, China, Ethiopië en Ruslandø̄ (Bonthond, s.v. ø̄katoenø̄). [N 62, 85; N 62, 77; N 62, 75c; N 59, 201; MW; L 1a-m; L 27, 73; L 41, 40a; S 17; monogr.]
II-7
|
| 25430 |
katrol |
katrol:
katrǫl (L269p Blerick)
|
Katrol, in gebruik bij het omhooghijsen van het rund. [N 28, 64; N 28, 65]
II-1
|
| 24662 |
kattenstaart |
kattenstaart:
idiosyncr.
kattestert (L269p Blerick)
|
Kattestaart (lythrum salicaria 50 tot 150 cm grote plant. De stengels staan rechtop, zijn kantig en zijn meer of minder behaard; de bladeren zijn tegenoverstaand of in kransen en lancetvormig. De bloemen groeien in lange aren, zijn 6-tallig en purperroo [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 20076 |
kattenstaartamarant |
kattenstaart:
idiosyncr.
kattestert (L269p Blerick)
|
Kattestaart amarant (amaranthus caudatus). Bloemen in lange, donkerrode of gele, later sierlijk overhangende aren. De bladeren zijn smal eivormig en spits (kattestaart, lammestaart, vossestaart, hazeklauw). [N 92 (1982)]
III-2-1
|
| 24179 |
kauw |
dooltje:
dölke (L269p Blerick),
kauw:
kauw (L269p Blerick)
|
Hoe heet de kauw? [DC 06 (1938)] || kauw (33 overal bekend; grijze nek en lichte ogen, rest zwart; broedt in gebouwen, schoorstenen en holle bomen; meestal in troepen; druk; roep [kja]; vaak tam gehouden [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 20488 |
kauwen |
fijnkauwen:
fiên kauwe (L269p Blerick),
kauwen:
kauwe (L269p Blerick),
malen:
male (L269p Blerick)
|
kauwen; Hoe noemt U: Voedsel met de tanden en kiezen fijnmaken (kauwen, knauwen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 17628 |
keel, strot |
strot:
stroat (L269p Blerick),
strø:əd (L269p Blerick)
|
strot [RND], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 17686 |
keelgat |
keelgat:
käelgaat (L269p Blerick),
kêelgaat (L269p Blerick),
keelsgat:
kaelsgaat (L269p Blerick)
|
keelgat [kelschat, rieper] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 33934 |
keelketting, keelriem |
keelband:
kē̜lbant (L269p Blerick)
|
De ketting of riem die onder de keel of kaken van het paard doorloopt en de twee uiteinden van de kopriem verbindt. [JG 1a; N 13, 26]
I-10
|
| 18070 |
keelpijn |
pijn in de keel:
pi.n ində kɛ.əl (L269p Blerick)
|
keelpijn [RND]
III-1-2
|