| 30564 |
plakspaan |
schuurijzer:
sxōrīzǝr (L269p Blerick)
|
Van een handvat voorziene houten of metalen plankje dat wordt gebruikt bij het gelijkschuren van raapspecie of gestort beton. Zie ook afb. 88. De 'sprahe' (Q 121) bestaat uit een rechthoekig blad van vrij dun en ietwat buigzaam staal waarop een handvat gemonteerd is. Zie voor dit woordtype ook RhWb (VIII), k. 404, s.v. 'Sprahe', ø̄spreeuwø̄. De 'houten riester' (Q 121) heeft dezelfde vorm als de 'sprahe'. Soms is op deze houten riester een laag 'vilt' ('velts') gespijkerd. De '(ijzeren) riester' (Q 121) vertoont grote overeenkomst met de 'sprahe', maar is van een dikkere soort staal gemaakt. De voorkant is afgerond in de vorm van een cirkelsegment (Lochtman, pag. 22). [N 30, 9; monogr.]
II-9
|
| 24627 |
plantenstek |
stek:
stek (L269p Blerick)
|
Afgesneden takje dat men in de grond zet om er een nieuwe plant uit te laten groeien (stek, poot). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 26728 |
plas of meertje midden in de hei |
ven:
ven (L269p Blerick)
|
N 27, 23a vroeg naar ''plas of meertje midden in de hei''; I, 19 vroeg naar ''plassen, gevormd na afgraving van de turf''; 11, 10 vroeg naar ''watergat, veenkuil'' en II, 11 naar een ''plas, vooral een halfdichtgegroeide veenplas''. Al deze vragen zijn in dit lemma versmolten. [N 27, 23a; I, 19; II, 10; II, 11]
II-4
|
| 17912 |
plassen (met water) |
knoddelen:
knoddele (L269p Blerick),
knódelle (L269p Blerick),
knodderen:
knóddere (L269p Blerick),
knoeien:
knoeje (L269p Blerick),
knoeje met waater (L269p Blerick),
knooije (L269p Blerick)
|
knoeien met water, in t water plassen [klosse] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 21774 |
plat praten |
plat praten:
plat praote (L269p Blerick)
|
plat praten [N 102 (1998)]
III-3-1
|
| 24667 |
plataan |
plataan:
plataan (L269p Blerick)
|
De plataan; van deze boom schilfert de schors in plaen af waardoor de nieuwe geelgroene bast zichtbaar wordt; de boom heeft langgesteelde vruchten (plataan, plantaan, plom, plon, plen). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 34085 |
platen |
platen:
plātǝ (L269p Blerick),
plooien:
(enk)
plǭi̯ (L269p Blerick)
|
De zijvlakken van het kruis. [N 3A, 111b]
I-11
|
| 33032 |
platliggen van graan |
ligt plat:
lex plat (L269p Blerick)
|
Wanneer de halmen door wind en regen platgeslagen zijn en tegen de grond liggen, is dat lastig werken voor de zichter. Hier staan steeds de persoonsvormen van het werkwoord genoemd, waarbij als onderwerp moet gedacht worden: "het koren"; achter in het lemma staan enkele zelfstandige naamwoorden: "platgelegerd graan". Heel in de uitdrukking ''(het koren) ligt heel'' staat voor ''helemaal''. [N 15, 13; monogr.]
I-4
|
| 19417 |
plattebuiskachel |
plattebuiskachel:
platte buuskachel (L269p Blerick)
|
Lange kookkachel met langwerpige platte buis en zichtbare pot (boerenkachel, leuvense kachel, platte buis (kachel) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 30560 |
pleistermortel |
kalkspijs met haar:
kalǝkšpīs męt hār (L269p Blerick
[(van varken of rund)]
)
|
Mortel voor pleisterwerk. Pleistermortel mag, om krimpscheuren te voorkomen, niet te vet zijn. Hij wordt dan ook meestal samengesteld uit 1 deel Portlandcement op 3 delen zand of 1 deel kalkpoeder, 1,5 deel tras en 2,5 à 3 delen zand of 1 deel Portlandcement, 1 deel tras en 5 delen zand (Zwiers II, pag. 218). Zie voor de fonetische documentatie van de tussen '(...)' geplaatste woorden en woorddelen het lemma 'Mortel'. [N 30, 38d; N 32, 37b; monogr.]
II-9
|