e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Blitterswijck

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
schijten schijten: sxītǝ (Blitterswijck) Vaste ontlasting hebben, gezegd van vee. [JG 1a, 1b; monogr.] I-11
schijveneg, vleugeleg vleugel[eg]: vlø̄gǝl[eg] (Blitterswijck) Een schijveneg is eigenlijk geen eg in de oorspronkelijke zin van het woord. Het is een dooreen tractor of door twee paarden getrokken werktuig, dat in wezen bestaat uit een aantal schotelvormige schijven, verdeeld over twee assen die met elkaar een verstelbare stompe hoek vormen. Zie afb. 65. Doordat de schijven schuin staan ten opzichte van de trekrichting, snijden ze met hun randen wringend door de grond. De grond wordt zo losgemaakt en verkruimeld. In dit lemma zijn ook termen opgenomen die verkregen werden door de woordvraag vleugeleg. Dat schijnt een op de schijveneg gelijkend werktuig te zijn, dat in plaats van geheel ronde, sterk gekartelde schijven ("schotels met happen eruit") heeft. Zie afb. 66. Hoe ''eg'' en ''eg'' moeten worden opgevat, is aangegeven in het lemma ''eg''. Voor het variantgedeelte ''wel'' zie men het lemma ''landrol''. [N 11, 72f + h; N 11A, 153 + 169d + h; N J, 10; A 13, 16b; div.; monogr.] I-2
schil van een vrucht schaal: schaal (Blitterswijck) schil [SGV (1914)] I-7
schilderen, verven verven: vɛrvǝ (Blitterswijck) Het oppervlak van voorwerpen ter conservering en kleurgeving bedekken met verf. [S 39; N 67, 64a; monogr.] II-9
schilderij schilderij: schilderèj (Blitterswijck), èn schon schilderej (Blitterswijck) schilderij [SGV (1914)] || schoone [een ~ schilderij] [SGV (1914)] III-3-2
schilmes, aardappelmesje aardappelmesje: ɛrpəlmɛskə (Blitterswijck) aardappelmesje III-2-1
schimmel schimmel: sxømǝl (Blitterswijck) Paard met een geheel of overheersend witte of grijsachtige vacht. Naarmate de leeftijd vordert, neemt het wit toe; schimmels worden niet geboren, ze ontstaan mettertijd. De vosschimmel is wit met rode of bruinachtige vlekken. [JG 1a, 1b; N 8, 63a en 63b; S 31] I-9
schimmel (plantje) schimmel: schum-mel (Blitterswijck), schummel (Blitterswijck) schimmel (plant) [SGV (1914)] III-4-3
schip boot: buət (Blitterswijck), schip: schip (Blitterswijck) schip [RND], [SGV (1914)] III-3-1
schipper schipper: sxipər (Blitterswijck) schipper [RND] III-3-1